Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
10-6324 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid vaststelling en omvang eigen bijdrage voor bruikleen scootmobiel.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/195
JWWB 2013/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6324 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

25 oktober 2010, 09/3516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

CAK (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 29 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.P.J. van de Griend een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 maart 2013. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) betrokkene op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een scootmobiel in bruikleen verstrekt. In het besluit is vermeld dat betrokkene een eigen bijdrage is verschuldigd die zal worden berekend en vastgesteld door appellant.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft appellant de maximaal te betalen eigen bijdrage voor zorg, hulpmiddelen of voorzieningen die betrokkene op grond van de Wmo ontvangt, voor het zorgjaar 2008 vastgesteld op € 295,52 per periode van vier weken. Tevens heeft appellant op basis van door het college verstrekte gegevens aan betrokkene op 14 januari 2009 een bedrag van € 230,11 over perioden 9, 10 en 11 van 2008 gefactureerd.

1.3. Op verzoek van betrokkene heeft het college de bruikleen van de scootmobiel per periode 1 van 2009 beëindigd. Om te voorzien in haar vervoersbehoefte heeft betrokkene zelf een tweedehands scootmobiel gekocht.

1.4. Bij besluit van 16 juni 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de factuur van 14 januari 2009 geacht mede te zijn gericht tegen de vaststelling van de maximale eigen bijdrage van 14 januari 2009 en het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft aangevoerd dat niet terecht is dat een eigen bijdrage wordt geheven voor het in bruikleen hebben van een scootmobiel. Verder is onvoldoende duidelijk hoe de hoogte van de restwaarde van de scootmobiel is berekend. Voorts heeft zij het standpunt ingenomen dat in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlemmermeer 2007 (Verordening) ten onrechte is opgenomen, dat het college bepaalt in welke gevallen de eigen bijdrage wordt opgelegd en hoe deze berekend wordt. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad en delegatie ervan is niet mogelijk.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 7 januari 2009 (lees: 14 januari 2009) herroepen, voor zover is bepaald dat aan betrokkene een eigen bijdrage is opgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 15, eerste lid, van de Wmo tot gevolg heeft dat het college niet bevoegd was de hoogte van de eigen bijdrage vast te stellen en dat artikel 3.2 (lees: artikel 5) van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlemmermeer (Besluit), waarin onder andere de omvang van de eigen bijdrage is geregeld, in zoverre onverbindend is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit tevens dat appellant niet bevoegd is de eigen bijdrage van betrokkene met inachtneming van de onverbindende bepaling vast te stellen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aard van de bevoegdheid zich, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet verzet tegen delegatie. Daartoe heeft appellant verwezen naar diverse uitspraken van de Raad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de van belang zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad houdt het er voor dat de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de in artikel 7 van de Verordening aan het college gegeven opdracht tot nadere regelgeving in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Om die reden moet artikel 5 van het Besluit, waarin de eigen bijdrage is geregeld voor de ontvanger van een vervoersvoorziening, onverbindend worden geacht.

4.2. Zoals de Raad al eerder over een met artikel 7 van de Verordening vergelijkbare bepaling heeft geoordeeld (zie zijn uitspraken van 17 november 2010, LJN BO6880, en van 23 mei 2012, LJN BW6823) is de in die bepaling aan het college gegeven opdracht tot nadere regelgeving niet in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo). Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3.1. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad overgaan tot de beoordeling van de andere beroepsgronden die betrokkene bij de rechtbank heeft aangevoerd, te weten dat het niet terecht is dat een eigen bijdrage wordt geheven voor het in bruikleen hebben van een scootmobiel en dat dat onvoldoende duidelijk is geworden hoe de hoogte van de restwaarde van de scootmobiel is berekend.

4.3.2. Deze beroepsgronden zijn gericht tegen de feitelijke eigen bijdrage van € 230,11, zoals deze is vastgesteld in de factuur van 14 januari 2009 over de perioden 9, 10 en 11 van 2008. Zoals de Raad ook heeft overwogen in zijn onder 4.2 genoemde uitspraak van 23 mei 2012 is een dergelijke factuur aan te merken als een besluit.

4.3.3. Ingevolge artikel 16 van de Wmo wordt een eigen bijdrage vastgesteld en geïnd door een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon.

4.3.4. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatschappelijke ondersteuning (Stcrt. 2006, 250), wordt appellant als rechtspersoon bedoeld in artikel 16 van de Wmo aangewezen.

4.3.5. Zoals appellant in het bestreden besluit onder verwijzing naar de artikelen 4.1 en 4.2 van het Bmo en de nota van toelichting daarop met juistheid uiteen heeft gezet, staat het het college vrij om te bepalen welk deel van de kostprijs van een toegekende voorziening hij terug wil ontvangen in de vorm van een eigen bijdrage, alsmede de wijze waarop hij deze eigen bijdrage, via facturering door appellant, in rekening wil brengen. Uit het wettelijk systeem volgt dat daarbij de beperking geldt dat de eigen bijdrage niet hoger mag zijn dan de kostprijs van het hulpmiddel of de voorziening en dat per periode van vier weken niet meer dan het bedrag van de maximale eigen bijdrage wordt gefactureerd.

4.3.6. Bij het vaststellen van de eigen bijdrage gaat appellant af op de gegevens die de Belastingdienst (voor de berekening van de maximale eigen bijdrage) en het desbetreffende college aanleveren. Bij de Belastingdienst gaat het daarbij om op grond van artikel 23 van de Wmo verstrekte gegevens over het belastbaar inkomen. Het college levert gegevens aan over de toekenning van de voorziening, waartoe ook behoort de verschuldigdheid van een eigen bijdrage en de uitgangspunten die voor de berekening van de eigen bijdrage van belang zijn, zoals de kostprijs van de voorziening. Ook in het geval van betrokkene heeft appellant de verschuldigde eigen bijdrage over de perioden 9, 10 en 11 van 2008 berekend op basis van de door het college aangeleverde gegevens.

4.3.7. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie de in 4.2 genoemde uitspraak van 17 november 2010) volgt uit het wettelijke systeem dat appellant in het kader van de primaire besluitvorming in beginsel mag uitgaan van de door de gemeente verstrekte gegevens over de verleende zorg. De verantwoordelijkheid van appellant is in dat stadium in zoverre beperkt tot het juist overnemen en verwerken van de verstrekte gegevens. Dit neemt evenwel niet weg dat een uit een gemotiveerde betwisting blijkende kennelijke fout van de gemeente door appellant moet worden geredresseerd. Betrokkene heeft zich echter niet op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijke fout van de gemeente, maar van onduidelijkheden bij de berekening van de - voor de bepaling van de kostprijs van de verstrekte voorziening relevant geachte - restwaarde van de scootmobiel. Indien, zoals in dit geval, de juistheid van door een ander (bestuurs)orgaan vastgestelde gegevens aan de orde is, moet dat worden aangevochten in het kader van de besluitvorming bij dat (bestuurs)orgaan. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 12 mei 2010, LJN BM7476. Appellant heeft in het bestreden besluit derhalve terecht overwogen dat haar bevoegdheid, voor zover hier van belang, niet verder gaat dan de vaststelling dat de eigen bijdrage die is opgelegd de kostprijs van de scootmobiel niet te boven gaat en de vaststelling dat de eigen bijdrage niet hoger is dan de door hem vastgestelde maximale eigen bijdrage. Dit betekent dat voor dit geding de grond dat onvoldoende duidelijk is geworden hoe - het college - de hoogte van de restwaarde van de scootmobiel heeft berekend niet relevant is, zodat die grond niet slaagt.

4.3.8. Ook de grond dat betrokkene eerder geïnformeerd had moeten worden over de hoogte van de te betalen eigen bijdrage kan niet slagen. Appellant is met het besluit en de factuur van 14 januari 2009 binnen de termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 4.4 van het Bmo overgegaan tot heffing en inning van de ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wmo verschuldigde eigen bijdrage. Voor het overige ligt het op de weg van het college om de betrokkene in het besluit tot toekenning van een voorziening, waarvoor een eigen bijdrage is verschuldigd, genoegzaam te informeren over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Indien betrokkene van mening is dat het besluit van 29 augustus 2008 tot het in bruikleen verstrekken van de scootmobiel op dat punt onvoldoende duidelijkheid bood, had het op haar weg gelegen tegen dat besluit bezwaar aan te tekenen. Ditzelfde geldt voor de betwisting door betrokkene van de verschuldigdheid van een eigen bijdrage voor het in bruikleen geven van een scootmobiel, zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

4.3.9. Uit hetgeen is overwogen in 4.3.1 tot en met 4.3.8 volgt dat de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond dient te verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) P.J.M. Crombach

GdJ