Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
11/1948 WIA-T + 11/6220 ZW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bestreden besluit 1 is niet gebaseerd op een juiste medische grondslag. De Raad ziet daarom aanleiding het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit 1 te herstellen. Daartoe zal het Uwv de FML in overeenstemming dienen te brengen met de bevindingen en de conclusies van de deskundige en op basis van de aldus aangepaste FML, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, het bestreden besluit 1 nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen, alsmede dienen te bezien wat daarvan de consequenties zijn voor het bestreden besluit 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1948 WIA-T, 11/6220 ZW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

3 maart 2011, 10/3830 (aangevallen uitspraak 1) en van 8 september 2011, 11/845 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 29 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Breevoort, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft een rapportage van de door haar ingeschakelde deskundige psychiater W. Dominicus overgelegd, waarop het Uwv met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd. Partijen hebben vervolgens op elkaars standpunten gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater dr. E. van Duijn op 29 november 2012 als deskundige rapport uitgebracht. Het Uwv heeft daarover zijn zienswijze naar voren gebracht onder overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts. De deskundige en het Uwv hebben op elkaars standpunt gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide gedingen gevoegd plaatsgevonden op 17 april 2013. Namens appellante is mr. Breevoort verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als haringfileerster voor 40 uur per week. Op 7 januari 2008 heeft zij zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld vanwege psychische klachten.

1.2. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 2 maart 2010 onderzocht door verzekeringsarts W.A. Kooijman, die heeft geconstateerd dat appellante ten gevolge van haar psychische klachten in arbeid beperkt is. De in verband daarmee geldende beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 maart 2010. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige R.B. Schieman met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is berekend op minder dan 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2010 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 4 januari 2010 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. Bij besluit van 9 september 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 april 2010, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 7 september 2010 en van bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 8 september 2010, ongegrond verklaard.

2.1. Vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving, heeft appellante zich op 22 november 2010 met terugwerkende kracht per 1 juni 2010 ziek gemeld in verband met een toename van haar psychische klachten.

2.2. Op 9 december 2010 is appellante gezien op het spreekuur van verzekeringsarts A.M.C. Vergroesen, die heeft vastgesteld dat de belastbaarheid ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid niet anders is als ten tijde van de WIA-beoordeling. Hij heeft appellante voldoende belastbaar geacht voor de geduide functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2010 aan appellante meegedeeld dat zij per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld.

2.3. Bij besluit van 25 januari 2011 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 december 2010, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts F.C. Swaan van 24 januari 2011, ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante per datum in geding correct heeft vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is door het Uwv volgens de rechtbank terecht vastgesteld op minder dan 35%.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft het Uwv het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie heeft onderbouwd op basis van dossieronderzoek, waaronder de bevindingen van de verzekeringsarts en informatie van de behandelend sector, gegevens verkregen uit de door hem bijgewoonde hoorzitting, alsmede gelet op de overige gedingstukken, tot het oordeel komt dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Het Uwv heeft appellante terecht met ingang van 9 december 2010 in staat geacht tot het verrichten van ten minste één van de geduide functies, zodat het recht op ziekengeld met ingang van genoemde datum op goede gronden is beëindigd.

4.1. In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende waarde hecht aan de medische gegevens, die zij tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure heeft ingebracht. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft zij een rapportage overgelegd van de door haar ingeschakelde deskundige psychiater Dominicus, waaruit blijkt dat meer beperkingen dienen te worden aangenomen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren, alsmede een urenbeperking.

4.2. Tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante in hoger beroep, onder verwijzing naar de in de WIA-zaak overgelegde rapportage van psychiater Dominicus, eveneens aangevoerd dat haar belastbaarheid niet juist is ingeschat en dat verdergaande beperkingen dienen te worden aangenomen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Naar aanleiding van de door appellante aangevoerde gronden en de voorhanden medische gegevens heeft de Raad aan psychiater Van Duijn verzocht als deskundige van advies te dienen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel geïndiceerd is. In het thans voorliggende geval bestaat geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de conclusies van de ingeschakelde deskundige op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek berusten en overtuigend, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de omtrent appellante beschikbare medische informatie, zijn gemotiveerd.

5.2. De Raad kent dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het bij rapportage van 29 november 2012 gegeven oordeel van de door hem geraadpleegde deskundige. In deze rapportage heeft de deskundige aangegeven dat in de FML van 2 maart 2010 als zodanig voldoende rekening is gehouden met de concentratie- en geheugenproblematiek, de prikkelbaarheid en de sociale beperkingen van appellante. Er is echter onvoldoende rekening gehouden met de vermoeidheid en het energieverlies, waardoor appellante beperkt kan functioneren in het arbeidsproces. Volgens de deskundige dient de FML te worden bijgesteld door ook een urenbeperking op te nemen in rubriek 6 (werktijden), waarbij hij aangeeft dat het buiten zijn expertise valt om een exact aantal uren te noemen welke appellante zou kunnen werken. In de reactie van bezwaarverzekeringsarts Swaan van 5 december 2012 is aangegeven dat hij eerder een urenbeperking medisch niet kon onderbouwen en dat dit ook niet mogelijk is zonder deugdelijke onderbouwing door de deskundige. Naar aanleiding hiervan heeft de deskundige in zijn brief van 7 februari 2013 gesteld dat hij geen aanleiding ziet om zijn conclusies aan te passen. Met zijn rapportage meent hij een voldoende medische onderbouwing te hebben gegeven voor het aannemen van een urenbeperking. Naar het oordeel van de Raad heeft de deskundige zijn conclusies zorgvuldig heroverwogen en dienen deze te worden gevolgd.

5.3. Uit het hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, vloeit voort dat bestreden besluit 1 niet is gebaseerd op een juiste medische grondslag De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het hiervoor gesignaleerde gebrek in het bestreden besluit 1 te herstellen. Daartoe zal het Uwv de FML in overeenstemming dienen te brengen met de bevindingen en de conclusies van de deskundige en op basis van de aldus aangepaste FML, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, het bestreden besluit 1 nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen, alsmede dienen te bezien wat daarvan de consequenties zijn voor het bestreden besluit 2.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de besluiten van 9 september 2010 en van 25 januari 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

IJ