Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
11/2506 WIA + 11/2507 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:1108, Overig
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen proceskostenveroodeling: aan de intrekking van het hoger beroep van het (eerste) bestreden besluit ligt niet ten grondslag dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2506 WIA, 11/2507 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 maart 2011, 10/2522 en 10/3313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 29 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2013. Namens appellant is mr. Van Zundert verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 augustus 2009 (primair besluit 1) heeft het Uwv de betaling van de WGA-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2009 geschorst. Bij besluit van 12 mei 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen primair besluit 1 gegrond verklaard, de uitbetaling van de WGA-uitkering met ingang van

1 augustus 2009 hervat en de door appellant in bezwaar gemaakte kosten vergoed.

1.2. Bij besluit van 4 mei 2010 (primair besluit 2) heeft het Uwv appellant met ingang van 5 september 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet geweigerd. Bij besluit van 8 juli 2010 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen primair besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de termijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang en het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1. Nadat mr. Van Zundert namens appellant hoger beroep heeft ingesteld, heeft hij bij brief van 16 oktober 2012 de Raad meegedeeld dat in beide zaken een inhoudelijke behandeling niet meer nodig is en dat het geschil tussen partijen beperkt is tot de vraag welke proceskosten door het Uwv moeten worden vergoed.

3.2. Ter zitting heeft mr. Van Zundert namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

4.2. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat zij met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten in de procedure naar aanleiding van primair besluit 2 overeenstemming hebben bereikt in die zin dat door het Uwv voor de proceshandelingen van appellant drie punten zullen worden vergoed.

4.3. Nu het Uwv bij bestreden besluit 1 de in bezwaar gemaakte kosten met betrekking tot primair besluit 1 reeds heeft vergoed, staat de Raad enkel nog voor de beoordeling van het verzoek van appellant om vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten ter zake van bestreden besluit 1.

4.4. De Raad stelt vast dat aan de intrekking van het hoger beroep ter zake van bestreden besluit 1 niet ten grondslag ligt dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen. Dit betekent dat de Raad niet de bevoegdheid heeft om het Uwv met toepassing van artikel 8:75a van de Awb in de kosten te veroordelen. Daarbij merkt de Raad op - ter voorlichting van partijen - dat bij artikel 8:75a Awb niet ter beoordeling staat of het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond was. Het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling met betrekking tot bestreden besluit 1 moet worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

NK