Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
11-5470 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Er is geen aanleiding de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Appellant moet in staat worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5470 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

11 augustus 2011, 10/3352 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 29 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A. van Mens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2013. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 22 januari 1991 uitgevallen voor zijn werk als pompbediende vanwege een hersenschudding, veroorzaakt door een klap op het hoofd bij een roofoverval. In 1996 is bij hem een cyste in de hersenen geconstateerd. Sinds 23 januari 1992 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling heeft het Uwv de

WAO-uitkering van appellant bij besluit van 26 maart 2010 per 27 mei 2010 ingetrokken omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 15%.

1.2. Bij besluit van 3 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2010 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 27 mei 2010 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan het bestreden besluit liggen rapportages ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts van 20 juli 2010 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 september 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Het onderzoek dat door de verzekeringsarts is verricht heeft plaatsgevonden dicht bij de datum in geding. Appellant is door bedrijfsarts Prins pas op 25 maart 2011 onderzocht, hetgeen bijna een jaar na de datum in geding is. Ook gelet op de overwegingen in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 20 juli 2011, is de rechtbank van oordeel dat de door appellant ingebrachte medische informatie, waaronder de reacties van bedrijfsarts Prins en het rapport van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van april 2011, niet kan leiden tot een ander oordeel omtrent de aangenomen beperkingen. Met inachtneming van de vastgestelde beperkingen moet appellant naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. Met de functies assemblagemedewerker B (sbc-code 111180), pakzaalmedewerker (sbc-code 111190) en productiemedewerker (sbc-code 264140) kan € 9,58 bruto per uur worden verdiend, hetgeen een mate van arbeidsongeschiktheid oplevert van 15 tot 25%. De uitkering van appellant is terecht en op goede gronden met ingang van 27 mei 2010 verlaagd.

3. In hoger beroep heeft appellant zich, evenals in beroep, op het standpunt gesteld dat hij per 27 mei 2010 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is te achten en daartoe verwezen naar het rapport van bedrijfsarts Prins van 7 april 2011 en de rapportage van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 6 april 2011. De geduide functies zijn ongeschikt. Appellant heeft hiertoe gewezen naar de, reeds in beroep overgelegde, rapportage van register arbeidsdeskundige De Hoop van 14 juni 2010. Tevens heeft appellant verzocht tot vergoeding van schade bestaande in wettelijke rente.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Appellant heeft in essentie in hoger beroep zijn ook in beroep ingenomen standpunten herhaald. Hij heeft ter onderbouwing van deze standpunten geen nieuwe medische of arbeidskundige informatie overgelegd. De rechtbank is uitvoerig op de door appellante ingebrachte gronden ingegaan en heeft haar oordeel op inzichtelijke en afdoende wijze gemotiveerd. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft ingebracht geen aanleiding voor een andersluidend oordeel en onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank volledig.

4.2. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding, bestaande in wettelijke rente, zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

QH