Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
11-1934 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde bedrag. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aan de verplichtingen heeft voldaan als bedoeld in artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ. Het Zorgkantoor heeft terecht vastgesteld dat appellant geen recht had op de aan hem betaalde voorschotten en dat dit bedrag onverschuldigd aan hem is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1934 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

28 februari 2011, 10/3083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

Zorgkantoor Midden Brabant te Eindhoven (Zorgkantoor)

Datum uitspraak 22 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2013. Appellant is verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Teunissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren 19 april 1953, is bekend met de stoornis van Asperger. Het Zorgkantoor heeft appellant bij besluit van 17 oktober 2008 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor het kalenderjaar 2008 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van € 5.908,12. Dit pgb is toegekend voor de zorgfuncties ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding, waarvoor het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) indicaties heeft gegeven over respectievelijk de perioden van 15 oktober 2007 tot en met 14 oktober 2008 en van 15 oktober 2008 tot en met 15 oktober 2009. Van het toegekende pgb dient over 2008, na aftrek van het verantwoordingsvrije bedrag van € 250,--, een bedrag van € 5.658,12 te worden verantwoord. Het Zorgkantoor heeft het toegekende pgb op voorschotbasis verstrekt.

1.2. In juli 2008 heeft appellant het verantwoordingsformulier ‘PGB-globale controle’ bij het Zorgkantoor ingediend over de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008. Hiermee heeft appellant een bedrag van € 1.942,57 verantwoord. Daarbij heeft appellant onder meer rekeningafschriften, facturen van boekhandels en horecagelegenheden, NS-vervoersbewijzen en theaterkaartjes overgelegd. Bij brief van 11 september 2008 heeft het Zorgkantoor appellant bericht dat van het verantwoorde bedrag van € 1.927,87 wordt afgewezen, omdat appellant geen zorgovereenkomsten kan overleggen. Bij brief van 2 oktober 2008 heeft het Zorgkantoor de afwijzing nader toegelicht.

1.3. In januari 2009 heeft appellant het verantwoordingsformulier ‘PGB- globale controle’ bij het Zorgkantoor ingediend over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008. Hiermee heeft appellant een bedrag van € 1.700,-- verantwoord als besteed aan reizen naar het Dr. Leo Kannerhuis (centrum voor autisme), een computer, een reis naar Turkije, concert- en theaterbezoek en boeken. Als zorgverlenende instantie heeft appellant ‘bedrijf’ opgegeven, een instantie die op zijn naam staat. Bij brief van 9 februari 2009 heeft het Zorgkantoor appellant bericht dat het bedrag van € 1.700,-- is afgewezen, omdat de door hem verantwoorde zorg niet voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking komt.

1.4. Bij besluit van 14 april 2009 heeft het Zorgkantoor de jaarafrekening pgb over 2008 vastgesteld. Daarbij is vastgesteld dat appellant een bedrag van € 5.658,12 te veel heeft ontvangen en dat dit bedrag zal worden verrekend of teruggevorderd. Bij besluit van 2 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2009 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de door appellant over het eerste halfjaar van 2008 ingediende bonnen en rekeningen niet kunnen worden aangemerkt als een schriftelijke zorgovereenkomst die appellant verplicht is over te leggen. De door appellant opgegeven bestedingen over het tweede halfjaar van 2008 hebben geen betrekking op AWBZ-zorg. In de omstandigheden van het geval ziet het Zorgkantoor geen aanleiding om bij de uitoefening van zijn terugvorderingsbevoegdheid tot een lagere vaststelling van het pgb over te gaan. Verder heeft het Zorgkantoor geconstateerd dat de over 2007 verantwoorde kosten van een cursus Spaans en van een abonnement op de Pellikaan Health & Racquet Club ten onrechte zijn geaccepteerd, maar besloten is dat deze niet worden teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan de verantwoordingsplicht om zorgovereenkomsten over te leggen en dat hij het pgb niet heeft besteed aan AWBZ-zorg. Dat appellant door zijn toestand niet in staat was om grip op de zaak te krijgen, is in onvoldoende mate gebleken. Aan het feit dat het Zorgkantoor de verantwoording van het pgb over 2007 wel heeft goedgekeurd, kon appellant niet het vertrouwen ontlenen dat dit ook zou gelden voor 2008.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat hij het pgb mocht besteden aan sociale activering en dat hij dat over 2008 ook heeft gedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aan de verplichtingen heeft voldaan als bedoeld in artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ. De door appellant verantwoorde kosten hebben geen betrekking op de functie begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Hierin is, voor zover van belang, bepaald dat begeleiding activiteiten omvat die zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid van de verzekerde en die bestaan uit het ondersteunen bij, of het oefenen met, vaardigheden of handelingen of met het aanbrengen van structuur, of uit het overnemen van toezicht op de verzekerde. Naar het oordeel van de Raad vallen de activiteiten waarvoor appellant het pgb heeft gebruikt niet onder begeleiding als hiervoor omschreven. Verder heeft appellant geen schriftelijke overeenkomst gesloten met een zorgverlener of een zorgverlenende instantie.

4.2. Uit 4.1 volgt dat het Zorgkantoor terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht had op de aan hem betaalde voorschotten tot een bedrag van € 5.658,12 en dat dit bedrag onverschuldigd aan hem is betaald. Dit betekent dat het Zorgkantoor ingevolge artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd is het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen. Bij de uitoefening van zijn terugvorderingsbevoegdheid dient het Zorgkantoor een evenredige belangenafweging te maken als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb.

4.3. Appellant voert aan dat hij in 2008 leed aan hoog opgelopen spanningen en angsten, waardoor hij niet functioneerde. Deze spanningen hielden verband met onzekerheid over zijn financiële situatie. Zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) was beëindigd en de naderhand toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is, met een verhoging van 100%, teruggevorderd. In een brief van 13 november 2012 licht psycholoog Weymiens van GGz Breburg, Centrum voor Forensische Zorg, toe dat de stoornis van Asperger voor appellant betekent dat het voor hem vaak moeilijk is om overzicht te houden, zeker op het moment dat spanningen oplopen.

4.4. De Raad is van oordeel dat wat appellant aanvoert onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat appellant niet in staat was om informatie van het Zorgkantoor over de wijze van besteding en verantwoording van het pgb te begrijpen. Appellant schrijft in zijn brieven van 1 en 29 september 2008 aan het Zorgkantoor juist te begrijpen dat zijn verantwoording volgens de bestaande regelgeving is afgewezen, maar dat hij er van is uitgegaan dat zijn handelwijze correct was, omdat het Zorgkantoor zijn verantwoording over de periode van 15 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 wel had goedgekeurd. De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant hiervan mocht uitgaan. De over 2007 verantwoorde kosten waren andere kosten dan appellant over 2008 heeft verantwoord. Verder heeft appellant bij de toekenning van het pgb een informatiemap ontvangen en deelgenomen aan een informatiebijeenkomst waar de pgb-regeling aan de hand van deze informatiemap is besproken. Het komt de Raad onaannemelijk voor dat het Zorgkantoor bij die gelegenheid te kennen heeft gegeven dat kosten zoals door appellant verantwoord zouden worden geaccepteerd.

4.5. Uit wat is overwogen in 4.4 volgt dat het Zorgkantoor van zijn terugvorderingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:57 van de Awb gebruik heeft mogen maken.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) A.C. Oomkens

QH