Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
11-2735 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2735 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2011, 09/2300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 28 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. de Klerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 15 augustus 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 10%.

1.2. Bij zijn aanvraag heeft appellant destijds opgegeven dat hij inwoonde bij zijn zuster [naam zuster] op het adres [adres] te [woonplaats] en dat op dat adres ook nog [naam zwager], een broer van zijn echtgenote, woonde.

1.3. In het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van uitkeringsgerechtigden die volgens eigen opgave inwonend zijn op kamers of bij derden - het project Controle op Maat - heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dit verband heeft appellant, voor zover thans van belang, op 23 januari 2008 een verklaring afgelegd ten overstaan van een handhavingsspecialist. Op 24 januari 2008 heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres [adres] te [woonplaats]. De bevindingen van dit onderzoek zijn vervat in het Rapport van bevindingen Kamerbewoning van 31 januari 2008.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 februari 2008 de bijstand van appellant met ingang van 17 januari 2008 in te trekken. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het college het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 mei 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van 28 september 2010 (LJN BN9407) heeft de Raad die uitspraak, voor zover deze in hoger beroep kon worden aangevochten, bevestigd.

1.5. De afdeling Handhaving heeft het onderzoek overgedragen aan de afdeling Opsporing om een onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellant voorafgaand aan 17 januari 2008. In dat kader is nader dossieronderzoek verricht, is informatie ontvangen van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland en zijn appellant, zijn zuster [naam zuster] en zijn broer

[naam broer], welke laatste volgens de GBA sinds 11 november 2005 eveneens op het adres [adres] te [woonplaats] ingeschreven staat, verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 26 februari 2009.

1.6. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 maart 2009 de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB, over de periode van 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.119,29 van appellant terug te vorderen.

1.7. Bij besluit van 8 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit het bestreden besluit blijkt dat aan de intrekking van de bijstand over de periode van 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008 ten grondslag ligt dat appellant gedurende die periode niet zijn hoofdverblijf had op het adres [adres] te [woonplaats] en dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB, waardoor het college niet kan vaststellen in hoeverre hij recht had op bijstand. Voorop staat dat ondanks de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 40 van de WWB de onderzoeksbevindingen, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, geen toereikende grondslag bieden om aan te nemen dat appellant zijn hoofdverblijf niet had in de gemeente [naam gemeente]. Daarbij is van belang dat, zoals het college ter zitting ook heeft beaamd, er geen enkele aanwijzing is dat appellant in de hier van belang zijnde periode buiten de gemeente [naam gemeente] verbleef. In een zodanige situatie is er volgens vaste rechtspraak geen grond om toepassing te geven aan artikel 40 van de WWB. Gelet hierop kan de grond van appellant dat aansluiting moet worden gezocht bij artikel 40 WWB en het “woonstee” concept van artikel 1:10 in verbinding met 1:11, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, niet slagen.

4.2. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellant heeft op 16 februari 2009 ten overstaan van een sociaal rechercheur verklaard dat hij in de periode van 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008 hooguit twee tot drie dagen per week bij zijn zuster was en dat hij verder veel verbleef bij vrienden en kennissen, die - volgens appellant - allemaal in [woonplaats] wonen, maar waarvan hij de namen en adressen niet wilde geven, omdat hij ze “hier buiten [wil] laten”. Verderop in het verhoor heeft appellant verklaard dat hij “bijna nooit” op het adres [adres] was en heeft hij zijn weigering om te vertellen waar hij dan wel verbleef herhaald. Appellant heeft zijn verklaring ondertekend. Deze verklaring komt overeen met zijn eerdere verklaring van 23 januari 2008. De verklaring van appellant vindt verder bevestiging in de verklaringen die zijn zuster en zijn broer op 16 februari 2009, onderscheidenlijk 17 februari 2009, hebben afgelegd ten overstaan van de sociale recherche en die door hen zijn ondertekend. Volgens de verklaring van zijn zuster verbleef appellant in de periode van 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008 twee tot drie dagen per week in haar woning, maar was ook wel eens een week of twee weg en was dan niet te bereiken. Ook de broer van appellant verklaarde dat appellant twee tot drie dagen per week op het adres [adres] te [woonplaats] was en dat hij niet wist waar appellant zijn hoofdverblijf had.

4.3. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat er geen reden is de verklaring van de broer en zuster van appellant buiten beschouwing te laten vanwege vooringenomenheid van de ondervragende sociaal rechercheur. Uit de processen-verbaal van de verhoren blijkt dat sprake is geweest van open vragen. De vraag waar appellant op doelt en die zou duiden op vooringenomenheid moet worden gezien in de context van de daaraan voorafgaande vraag.

4.4. De stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de verklaring die zijn ex-vriendin [naam ex-vriendin] op 31 januari 2008 telefonisch heeft afgelegd ten overstaan van de sociale recherche mist feitelijke grondslag. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - anders dan in de uitspraak van 3 juli 2008 - de verklaring van [naam ex-vriendin] niet genoemd of bij haar oordeelsvorming betrokken.

4.5. Gelet op wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 komt, mede gelet op de in geding zijnde periode die eindigt op 16 januari 2008, geen betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant tijdens het huisbezoek op 24 januari 2008 heeft verklaard dat hij “nu wel” - anders dan hij heeft verklaard op 23 januari 2008 - administratie heeft liggen op het adres [adres] te [woonplaats]. Om die reden kan ook aan de omstandigheid dat tijdens het huisbezoek op

24 januari 2008 in de badkamer scheerspullen zijn aangetroffen geen doorslaggevende betekenis worden gehecht, nog daargelaten dat appellant tijdens het huisbezoek niet heeft aangegeven dat de scheerspullen hem toebehoorden. Gelet op het feit dat ook de broer van appellant twee tot drie dagen per week op het adres [adres] te [woonplaats] verbleef, kunnen de waargenomen scheerspullen evengoed aan appellants broer hebben toebehoord.

4.6. Ten slotte heeft de rechtbank, anders dan appellant meent, terecht geoordeeld dat het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet kan slagen omdat niet is gebleken dat appellant het college bij de eerdere onderzoeken naar zijn woonsituatie ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij geen hoofdverblijf had op het adres [adres] te [woonplaats].

4.7. Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat appellant onjuiste, dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie en met name zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De woon- en leefsituatie en met name ook het woonadres van een betrokkene zijn van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand en de omvang ervan. Indien hieromtrent door de betrokkene onjuiste gegevens worden verstrekt dan wel geen duidelijkheid wordt verschaft, kan niet worden vastgesteld of en in hoeverre een betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Die situatie doet zich voor ten aanzien van appellant in de hier te beoordelen periode van 15 augustus 2005 tot en met 16 januari 2008. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over die periode. Tegen de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt, heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.8. Voor zover appellant heeft beoogd te betogen dat hij in elk geval recht heeft op een daklozenuitkering, valt dit buiten de omvang van dit geding, aangezien daartoe geen aanvraag is ingediend.

4.9. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht, zodat de terugvordering verder buiten bespreking kan blijven.

4.10. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD