Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-3796 WSF-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Europese regels kunnen kinderen EU-burger recht geven op studiefinanciering. De Centrale Raad van Beroep beslist in zijn tussenuitspraak van 18 juni 2013 dat een Letse dochter van een oorspronkelijk ook Letse moeder - die in Nederland werkt - op grond van Europese regels recht heeft op Nederlandse studiefinanciering. Het maakt daarbij niet uit dat de moeder Nederlandse werd en haar Letse nationaliteit opgaf. De Minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 2.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/221
NJB 2013/1626
AB 2013/216 met annotatie van I. Sewandono
USZ 2013/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3796 WSF-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

1 juni 2011, 10/1408 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 18 juni 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.S. Karst een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.S. Karst en J.G.B. Venneman.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 5 januari 1987 geboren in de toenmalige Letse Socialistische Sovjetrepubliek. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verkregen betrokkene en haar moeder de Letse nationaliteit. In 2004 is Letland toegetreden tot de Europese Unie (EU).

1.2. Vanaf juni 2005 woont de moeder van betrokkene in Nederland. Daar trad zij op 16 september 2005 in het huwelijk met een Nederlander. Sinds 2 januari 2008 verricht de moeder van betrokkene in Nederland betaalde arbeid, aanvankelijk op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en sinds 1 april 2010 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 24 uur per week.

1.3. In vervolg op het door haar in Letland genoten hoger onderwijs heeft betrokkene zich per september 2010 ingeschreven aan de Radboud Universiteit te Nijmegen voor een voltijds masteropleiding ‘Linguistics’. Deze opleiding heeft zij in april 2012 voltooid.

1.4. Bij formulier ‘aanvraag studiefinanciering hoger onderwijs’, gedateerd 20 maart 2010, heeft betrokkene studiefinanciering aangevraagd in de vorm van een basisbeurs voor een thuiswonende studerende en een OV-studentenkaart. Betrokkene heeft diverse bescheiden overgelegd en aangegeven dat haar moeder inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

1.5. Bij besluit van 12 mei 2010 heeft appellant afwijzend beslist op de aanvraag van betrokkene. Het bezwaar hiertegen heeft appellant bij besluit van 20 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene niet voldoet aan het in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) opgenomen nationaliteitsvereiste en ook niet ingevolge het Unierecht moet worden gelijkgesteld met een Nederlander, aangezien de moeder van betrokkene inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft verworven en betrokkene zelf in Nederland niet economisch actief is. Verder heeft appellant afwijzend beslist op het beroep dat betrokkene in de bezwaarfase heeft gedaan op de hardheidsclausule die opgenomen is in artikel 11.5 van de Wsf 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de moeder van betrokkene in januari 2008 de status van migrerend werknemer als bedoeld in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft verkregen en dat zij die status niet heeft verloren doordat zij op 7 oktober 2008 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en evenmin doordat zij in maart 2010 uit eigen beweging afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep niet langer het standpunt ingenomen dat de moeder van betrokkene de status van migrerend werknemer heeft verloren doordat zij op 7 oktober 2008 de Nederlandse nationaliteit verkreeg, maar wel doordat zij in maart 2010 afstand deed van de Letse nationaliteit. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant verwezen naar het arrest Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado (HvJEU 20 maart 2001, C-33/99), punt 51, en het arrest Leclere (HvJEU 31 mei 2001, C-43/99), punt 59. Appellant heeft uitdrukkelijk niet betwist dat betrokkene gedurende de periode dat zij in Nederland studeerde ten laste van haar moeder kwam.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep gewezen op het arrest Kahveci en Inan (HvJEU 29 maart 2012, C-7/10 en C-9/10) en op de arresten Singh (HvJEU 7 juli 1992, C-370/90) en Eind (HvJEU 11 december 2007, C-291/05). Verder heeft betrokkene onder meer te kennen gegeven dat haar moeder uit eigen beweging afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit omdat zij wilde voorkomen dat de Letse autoriteiten die nationaliteit ambtshalve zouden ontnemen. Haar was namelijk ter ore gekomen dat het lastiger is om de Letse nationaliteit te herkrijgen wanneer zij ambtshalve is afgenomen dan wanneer uit eigen beweging afstand is gedaan van die nationaliteit, en dat de Letse autoriteiten het aanhouden van een dubbele nationaliteit vaak niet gedogen, ook niet indien - zoals in haar geval - een tweede nationaliteit is verkregen van een lidstaat van de EU. Ter zitting is namens betrokkene, desgevraagd, nog opgemerkt dat haar moeder direct voorafgaand aan haar vertrek naar Nederland in 2005 in Letland werkzaamheden verrichtte op het Ministerie van Landbouw.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat de moeder van betrokkene de status van migrerend werknemer niet heeft verloren doordat zij op 7 oktober 2008 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De Raad onderschrijft dit oordeel dat door appellant niet langer wordt bestreden. Volledigheidshalve verwijst de Raad in dit verband nog naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2012 in de zaak 201108991/1/V1 (LJN BY5575).

4.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank verder geoordeeld dat de moeder van betrokkene de status van migrerend werknemer evenmin heeft verloren doordat zij in maart 2010 uit eigen beweging afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit. De Raad onderschrijft ook dit oordeel. Daartoe wordt allereerst overwogen dat de moeder van betrokkene voor haar migratie in Letland in loondienst werkzaam is geweest en dat zij nadien ook in Nederland is gaan werken in loondienst. Voorts zien de arresten waarop appellant zich beroept, Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado en Leclere, op geheel andere situaties van migrerende werknemers die terugkeren naar het land van herkomst of in elk geval naar een ander land dan het gastland en niet langer als werknemer actief zijn. De onderhavige situatie is daar voor de toepassing van het Unierecht niet mee te vergelijken. Indien een migrerend werknemer de nationaliteit van het gastland verkrijgt en tevens uitdrukkelijk afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit, kan dit een aanwijzing zijn dat de betrokken migrerend werknemer niet langer gebruik wil maken van de uit het Associatierecht voortvloeiende rechten, zoals advocaat-generaal Sharpston vermeldt in punt 64 van haar conclusie in de zaak Kahveci en Inan. Voor zover die benadering ook van toepassing zou zijn bij afstand van de nationaliteit binnen de Europese Unie moet vastgesteld worden dat niet gebleken is dat de moeder van betrokkene uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten; gebleken is slechts dat zij uit eigen beweging afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit en de Raad acht het daarbij geenszins onwaarschijnlijk dat zij dit juist deed om te voorkomen dat de Letse autoriteiten die nationaliteit (met toepassing van section 24 van de Letse Citizenship Law) ambtshalve van haar zouden afnemen en dat het daardoor voor haar lastig zou kunnen worden om de Letse nationaliteit later desgewenst te herkrijgen. De Raad ziet derhalve geen grond om aan te nemen dat betrokkene vanaf maart 2010 niet meer is aan te merken als kind van een migrerend werknemer dat ingevolge artikel 12 en artikel 7, tweede lid, van Verordening nr. 1612/68 voor de toepassing van de Wsf 2000 met een Nederlander moet worden gelijkgesteld. Het bestreden besluit is daarom niet verenigbaar met het Unierecht.

4.4. Gelet op het voorgaande hoeft niet alles wat de gemachtigde van betrokkene heeft aangevoerd in haar verweerschrift en pleitnota bespreking. Uit punt 4.2 en 4.3 volgt reeds dat het bestreden besluit een inmenging oplevert op het recht op vrij verkeer van werknemers van de moeder van betrokkene. Van een rechtvaardiging van die inmenging is niet gebleken. Geconcludeerd moet worden dat het bestreden besluit strijdig is met het Unierecht en dus met artikel 2.2, eerste lid, sub b, van de Wsf 2000, zodat de rechtbank het beroep van betrokkene terecht gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

4.5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Beroepswet is de werking van de aangevallen uitspraak opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist. Appellant heeft daarom geen uitvoering hoeven geven aan de aangevallen uitspraak. Nu het geding in hoger beroep tot nu toe volledig was toegespitst op de voorvraag of betrokkene rechten ontleent aan Verordening nr. 1612/68, kan de Raad op dit moment niet zelf bepalen over welke periode en tot welk bedrag betrokkene precies in aanmerking komt voor studiefinanciering. Hiervoor is een nadere beoordeling van appellant nodig, ook al omdat in plaats van een OV-studentenkaart een vervangende vergoeding in geld zal moeten worden toegekend. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen om, met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen, alsnog een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 mei 2010.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) I.J. Penning

NW