Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
11-3744 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. Gelet op het zich herhalende patroon van problemen in de samenwerking met leidinggevenden en coördinatoren en op het feit dat aan appellant meerdere keren ook schriftelijk is meegedeeld op welke wijze hij zijn communicatie diende te verbeteren, waarna verbetering is uitgebleven, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een verstoorde werkverhouding en dat er geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare verdere samenwerking. De minister was dan ook bevoegd om appellant ontslag op andere gronden te verlenen. De minister heeft een overwegend aandeel gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde werkrelatie. Dit aandeel wordt vastgesteld op 80 tot 100%. Berekenmethode ontslagvergoeding. Appellant is met het toegekende bedrag van € 25.000,- bruto niet tekort gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3744 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2011, 10/1633 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak: 23 mei 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten, advocaat, en door mr. A. de Vries en L.J.H. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 augustus 2002 in dienst getreden bij ICTRO, het ICT bedrijf van de rechterlijke organisatie, in de functie van software engineer. Vanaf 1 januari 2005 is appellant werkzaam geweest als medior applicatiebeheerder bij de afdeling Applicatiemanagement, team rechtspraak. Bij brief van 3 november 2005 is aan appellant meegedeeld dat een aantal collega’s samenwerkingsproblemen met hem ondervonden die werden veroorzaakt door de wijze waarop hij communiceerde. Vervolgens hebben appellant en zijn collega’s een begeleidingsprogramma gevolgd en zijn afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van de werksfeer. In verband met een conflict met een collega is appellant met ingang van 9 juli 2007 geplaatst in het team algemeen ro. Met die verplaatsing werd beoogd appellant in de gelegenheid te stellen zich binnen een nieuw team te ontwikkelen en aan te tonen dat hij zich buiten conflictsituaties kon houden. In dat kader is appellant bij brief van 31 augustus 2007 meegedeeld dat hij in de periode van 9 juli 2007 tot 1 januari 2008 aantoonbare verbetering moest laten zien op het gebied van mondelinge uitdrukkingsvaardigheid / effectief communiceren, samenwerken, luisteren en het vinden van balans tussen onderhandelingsvaardigheden en overtuigingskracht. Die onderwerpen zouden vervolgens worden besproken in functionerings- en resultaatgesprekken.

1.2. Medio 2008 zijn er fricties ontstaan in de samenwerking tussen appellant en [C.], coördinator. In verband daarmee zijn bij brief van 15 juli 2008 afspraken bevestigd die partijen hadden gemaakt om de continuïteit van de functie van appellant te waarborgen en is appellant in het najaar van 2008 met een coachingstraject begonnen. Mede door gezondheidsproblemen van de coach is de coaching in november 2008 voortijdig afgebroken. Verdere coaching is uitgebleven. In december 2008 heeft de minister voorgesteld het dienstverband met een minnelijke regeling te beëindigen. Partijen zijn daar niet uitgekomen.

1.3. In april 2009 heeft mr. Boiten een onderzoek verricht met als doel vast te stellen of tussen partijen nog een vruchtbare samenwerking kon worden bereikt en zo ja, onder welke voorwaarden. In dat kader heeft mr. Boiten gesprekken gevoerd met appellant en met veertien medewerkers, waarvoor de minister en appellant ieder zeven personen hadden voorgedragen. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapportage van 25 juni 2009 en aangevuld op 2 juli 2009.

1.4. Na een voornemen daartoe heeft de minister appellant bij besluit van 13 augustus 2009 ontslag verleend op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Aan appellant is de garantie verleend op een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het Besluit Bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en aan hem is onder toepassing van het bepaalde in artikel 99, tweede lid, van het ARAR een vergoeding toegekend van in totaal € 25.000,- bruto. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 25 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van een onherstelbare verstoorde arbeidsverhouding tussen appellant en diverse medewerkers van ICTRO en dat van de minister niet kan worden gevergd om het dienstverband met appellant voort te zetten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het ontstaan en voortbestaan van de situatie niet in overwegende mate aan de minister is te wijten en dat appellant met de toegekende ontslagvergoeding niet tekort is gedaan.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen en of een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. Appellant is sinds 2005 een aantal keren aangesproken op zijn wijze van communiceren, die bij anderen weerstand opriep, en enkele malen in conflictsituaties geraakt, met name met collega’s in de positie van leidinggevende of coördinator. De opstelling van appellant werd gekarakteriseerd als halsstarrig, eigenwijs, laat zich moeilijk overtuigen, houdt vast aan eigen standpunt, gericht op discussie en niet op samenwerking, communicatie die weerstand oproept, beperkte zelfreflectie en tekortschietende communicatieve vaardigheden. Steeds is vastgesteld dat de wijze van communiceren van appellant een belangrijke factor was bij het ontstaan van conflictueuze situaties. Herhaaldelijk is appellant te kennen gegeven op welke wijze zijn communicatie diende te verbeteren om te komen tot werkbare situaties.

3.2. Evenals de adviescommissie bezwaarschriften opmerkte, acht ook de Raad het minder gelukkig dat de minister het onder 1.3 vermelde onderzoek heeft laten verrichten door de advocaat van de minister, omdat de vermenging van de functies van raadsman en onderzoeker een schijn van vooringenomenheid oproept. Nu ook door appellant aangedragen medewerkers zijn gehoord en de bevindingen van het onderzoek steun vinden in hetgeen in de jaren daarvoor schriftelijk al was vastgesteld over de problemen in de werkrelatie tussen appellant en zijn collega’s, is er echter geen aanleiding de onderzoeksbevindingen ter zijde te stellen.

3.3. Gelet op het zich herhalende patroon van problemen in de samenwerking met leidinggevenden en coördinatoren en op het feit dat aan appellant meerdere keren ook schriftelijk is meegedeeld op welke wijze hij zijn communicatie diende te verbeteren, waarna verbetering is uitgebleven, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een verstoorde werkverhouding en dat er geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare verdere samenwerking. De minister was dan ook bevoegd om appellant ontslag op andere gronden te verlenen.

3.4. Bij de beantwoording van de vraag of de minister bij het gebruik maken van deze ontslagbevoegdheid kon volstaan met de toegekende ontslagvergoeding, bovenop de in artikel 99, tweede lid, van het ARAR voorgeschreven minimumgarantie, is van belang welk aandeel beide partijen hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoring van de arbeidsrelatie. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 28 februari 2013, LJN BZ2043) is een minimumgarantie onvoldoende als komt vast te staan dat het bestuursorgaan daarin een overwegend aandeel heeft gehad, of als een uitkering op minimumniveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht. Het gaat daarbij niet om volledige schadevergoeding, maar om compensatie van het aandeel van het bestuursorgaan. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis. Van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan is sprake als dat aandeel 51% of meer bedraagt.

3.5. Wat betreft het aandeel van de minister in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen, is het volgende in aanmerking genomen. Appellant is sinds 2005 meermalen gestuit op problemen in de samenwerking die voortkwamen uit de wijze waarop hij communiceerde. De minister heeft deze problemen wel onderkend en op diverse momenten is met appellant ook gesproken over begeleiding in de vorm van functionerings- en resultaatgesprekken en coaching, maar deze begeleiding is nooit daadwerkelijk van de grond gekomen. En dat terwijl appellant diverse keren de problemen die hij ondervond in de samenwerking heeft aangekaart bij zijn leidinggevenden en heeft verzocht om begeleiding daarin. Nadat de coach in november 2008 haar taak - die amper was aangevangen - had neergelegd, heeft de minister in weerwil van de door appellant geuite wens afgezien van vervolg van het coachingstraject. Integendeel, de minister heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de minister een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde werkrelatie. Dit aandeel wordt vastgesteld op 80 tot 100%.

3.6. Met inachtneming van de in de onder 3.4 genoemde rechtspraak van de Raad ontwikkelde berekenmethode moet de ontslagvergoeding van appellant worden berekend door de zeven dienstjaren, gedeeld door twee, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag ten tijde van het ontslag en daarop de factor 1 toe te passen. Ter zitting hebben partijen vastgesteld dat het brutomaandsalaris van appellant ongeveer € 3.900,- bedroeg, inclusief vakantiegeld. De Raad komt daarom tot het oordeel dat appellant met het toegekende bedrag van € 25.000,- bruto niet tekort is gedaan.

4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Groo

De griffier is buiten staat te ondertekenen