Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
11-1635 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Door geen juiste informatie te verstrekken over zijn woonadres heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Gezien het extreem lage waterverbruik is niet aannemelijk dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het uitkeringsadres. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens over het waterverbruik. Geen spraake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1635 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

16 februari 2011, 09/2175 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[S. te A.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 21 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H.M.A.W. Erven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.C. van der Moore.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1 juni 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. Hij heeft het college opgegeven samen met zijn zoon [S.], geboren [in] 1992, woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te Almere (uitkeringsadres). [S.] heeft in de periode van 21 mei 1997 tot 15 november 2006 en van 5 januari 2007 tot 1 februari 2007 in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Almere (GBA) op het uitkeringsadres ingeschreven gestaan. In de periode van 8 december 2006 tot 9 januari 2008 heeft zijn zoon [N.], geboren [in] 2003 uit de relatie tussen appellant en S. [A.] ([A.]), eveneens op het uitkeringsadres ingeschreven gestaan. [A.] heeft van 23 februari 2000 tot 9 januari 2008 in de GBA ingeschreven gestaan op het adres [adres 2, nr.] 14 te Almere (adres van [A.]).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip van 1 juni 2005, onder meer inhoudend dat appellant al in maart 2000 met [A.] is gaan samenwonen op haar adres, en een in 2006 door het Regionaal Platform Fraude verrichte themacontrole, waarbij is gebleken dat het jaarlijkse waterverbruik van appellant in zijn woning aan [adres 1] lager was dan 12 m³, is bij het college twijfel gerezen over de woonsituatie van appellant. Naar aanleiding daarvan heeft een sociaal rechercheur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn diverse instanties, waaronder leveranciers van water, gas en elektriciteit, om inlichtingen verzocht, heeft op

21 september 2006 een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres en op 22 september 2006 op het adres van [A.], zijn observaties en waarnemingen verricht en is buurtonderzoek verricht in de omgeving van beide woningen. Op 18 oktober 2007 heeft de sociale recherche een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres en aansluitend appellant verhoord. Voorts heeft het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek van de sociale recherche een onderzoek verricht naar het mogelijk ingeschreven staan van appellant en/of [A.] in België dan wel het bestaan van een dienstverband met appellant in België. Ten slotte heeft de sociaal rechercheur appellant op 25 november 2008 verhoord en [A.] op 16 december 2008. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 december 2008.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

22 december 2008 de bijstand van appellant te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 1 november 2008. Vervolgens heeft het college bij besluit van 4 februari 2009 de bijstand van appellant herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 8 augustus 2001 tot en met 31 oktober 2008 en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van in totaal

€ 102.235,12 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 26 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 22 december 2008 en 4 februari 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, kort samengevat en voor zover van belang, ten grondslag dat appellant vanaf 8 augustus 2001 niet woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. Door geen juiste informatie te verstrekken over zijn woonadres heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De onderzoeksgegevens kunnen niet tot de conclusie leiden dat appellant zijn hoofdverblijf ten tijde hier van belang niet had op het uitkeringsadres. Ten onrechte is waarde gehecht aan het zeer lage energie- en waterverbruik op het uitkeringsadres. Aan de juistheid van de gegevens over dat verbruik kan worden getwijfeld. Daarnaast is ten onrechte waarde gehecht aan de tijdens het buurtonderzoek door de getuigen afgelegde verklaringen. Deze zijn, mede gelet op de lange periode waarover de bijstand is ingetrokken, niet geloofwaardig.

4.1.1. Uit de beschikbare gegevens met betrekking tot het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres van appellant blijkt dat het waterverbruik van appellant vanaf augustus 2001 vrijwel nihil was en ook na wisseling van de watermeter in 2003 extreem laag is gebleven, terwijl appellant stelt dat hij wel steeds, samen met in ieder geval één van zijn minderjarige zonen, op het uitkeringsadres heeft gewoond. Gezien het extreem lage waterverbruik is niet aannemelijk dat appellant in de te beoordelen periode, die loopt van 8 augustus 2001 tot en met 22 december 2008, zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het uitkeringsadres. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 januari 2010, LJN BK8610. Deze conclusie vindt voorts steun in het geconstateerde extreem lage elektriciteits- en warmteverbruik in die periode op het uitkeringsadres en in de verklaringen van de buurtbewoners in de omgeving van het adres van [A.].

4.1.2. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens over het waterverbruik. Bovendien heeft hij over dat verbruik wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij tijdens het op 18 oktober 2007 afgelegde huisbezoek verklaard dat hij, ook met een klein kind in huis, zeer zuinig met water omgaat maar dat hij normaal in zijn woning doucht, wast, kookt en het toilet doorspoelt. Tijdens het verhoor op 25 november 2008 heeft hij vervolgens verklaard dat hij sinds 2006 alleen woont, daarvoor zijn kinderen [S.] en [N.] bij hem hebben gewoond, hij soms thuis kookt, zich niet iedere dag wast en zijn was naar een wasserij in Amsterdam of naar vrienden brengt.

4.1.3. Voorts bestaat geen grond om de verklaringen van de buurtbewoners in de omgeving van het adres van [A.] als ongeloofwaardig aan te merken. Zij hebben gedetailleerd en eenduidig verklaard over het verblijf van appellant in de woning van [A.]. Zo heeft getuige [M.], wonende op het adres [adres 2, nr.] 12, op 3 oktober 2007 verklaard dat zij drie jaar op dit adres woont, dat sindsdien op nummer 14 een gezin woont bestaande uit een man, vrouw en twee kinderen, dat ongeveer één jaar terug een derde kindje is geboren en dat zij zag dat de buurman elke werkdag wegging en rond 18.00 thuiskwam. Getuige [T.], wonende op het adres [adres 2, nr.] 8, heeft op 3 oktober 2007 verklaard dat zij daar sinds december 2003 woont, dat op nummer 14 toen al een gezin woonde met twee kinderen, dat het derde kind een jaar geleden is geboren en dat de buurman elke dag wel wegging naar zijn werk. Beide getuigen hebben appellant en [A.] herkend aan de hand van pasfoto’s.

4.1.4. Uit 4.1.1 tot en met 4.1.3 volgt dat de beroepsgrond van appellant dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, niet slaagt.

4.2. Appellant heeft verder aangevoerd dat de bestuursrechter over alle relevante stukken dient te beschikken, waaronder de getuigenverklaringen, en dat het er niet toe doet dat hijzelf over het volledige dossier uit de strafrechtprocedure beschikt.

4.2.1. De rechtbank beschikte over het onder 1.2 genoemde rapport. Daarin zijn de verklaringen van de getuigen geparafraseerd weergegeven. Als bijlage bij dat rapport was gevoegd het proces-verbaal van verhoor van appellant, maar niet de processen-verbaal van verhoor van [A.] en de gehoren van de getuigen. Het college heeft op verzoek van de Raad diverse nadere stukken ingezonden, waaronder de processen-verbaal van de in 4.1.3 genoemde getuigenverklaringen. Aan de hand van dit rapport en de nader overgelegde stukken is de Raad met de rechtbank tot het oordeel gekomen dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de vaststelling in het bestreden besluit dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van zijn feitelijke verblijfplaats. Daarom kan deze grond niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

4.3. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat in 2006 reeds onderzoek is verricht naar een gezamenlijke huishouding tussen [A.] en hem en toen is geconcludeerd dat hiervan geen sprake is. Ook nu is er volgens appellant geen sprake van een gezamenlijke huishouding.

4.3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het feit dat in 2006 onderzoek is verricht naar de vraag of appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A.] staat er niet aan in de weg dat het college ook hierna bevoegd was nader onderzoek te verrichten naar de woonsituatie van appellant. Overigens ligt aan het bestreden besluit niet ten grondslag dat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A.], zodat de vraag of hiervan sprake is in dit geding niet behoeft te worden beantwoord.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) T.A. Meijering