Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
12-6143 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6053, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugverwijzing naar rechtbank. Vast staat dat appellant gronden heeft ingediend tegen bestreden besluit 1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 februari 2013, LJN BZ1171, moeten deze gronden in verband met de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. Dat deze gronden uitsluitend betrekking hebben op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2011 maakt dit niet anders. Geconcludeerd moet worden dat van een verzuim als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb geen sprake is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6143 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2012, 11/3294 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.D.F. Schildt hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 januari 2011 heeft het Uwv de aan appellant met ingang van 2 maart 2009 verstrekte uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingetrokken omdat appellant met ingang van die dag volledig werkzaam zou zijn geweest als zelfstandige zonder daarvan melding te hebben gemaakt aan het Uwv. Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant nogmaals ingetrokken en van appellant aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 2 maart 2009 tot en met 17 oktober 2010 een bedrag teruggevorderd van € 31.925,40. Tegen het besluit van 20 januari 2011 is bij brief van 24 januari 2011 een bezwaarschrift ingediend door appellants gemachtigde, werkzaam bij Informatie & Onderzoek Bureau Zuid-Holland. Bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2011 (bestreden besluit 1) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gemachtigde ondanks herhaalde verzoeken geen schriftelijke machtiging had ingediend.

1.2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Daarin heeft hij, onder overlegging van een op 14 oktober 2010 ondertekende machtiging, aangevoerd dat al op 15 oktober 2011 (lees: 2010) een machtiging is verzonden naar het Uwv. Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 9 november 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.

1.4. De rechtbank heeft appellant bij brieven van 15 november 2011 en 9 december 2011 gevraagd om de gronden van het beroep tegen bestreden besluit 2 in te dienen. De brief van 9 december 2011, waarin appellant een termijn van vier weken werd gegund om de gronden in te dienen, is per aangetekende post verzonden en op 4 januari 2012 retour ontvangen door de rechtbank. Zij is op diezelfde dag per gewone post opnieuw toegestuurd aan de gemachtigde van appellant. Deze heeft de gronden bij brief van 12 januari 2012 ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2

niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant de gronden van het beroep tegen bestreden besluit 2 niet tijdig heeft ingediend.

3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij de aangetekende brief van de rechtbank van 9 december 2011 niet heeft kunnen afhalen omdat in zijn postbus geen bericht van aangetekende verzending is achtergelaten. De brief van 4 januari 2012 heeft hij wel ontvangen, maar op dat moment was de daarin genoemde termijn van vier weken na 9 december 2011 al bijna afgelopen. Appellant meent dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift wordt ondertekend en ten minste de gronden van het beroep bevat.

4.1.2. Vast staat dat appellant gronden heeft ingediend tegen bestreden besluit 1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 februari 2013, LJN BZ1171, moeten deze gronden in verband met de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. Dat deze gronden uitsluitend betrekking hebben op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2011 maakt dit niet anders. Geconcludeerd moet worden dat van een verzuim als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb geen sprake is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.2. Gelet op artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet, zoals dit luidde tot 1 januari 2013, zal de Raad de zaak terugwijzen naar de rechtbank. De Raad voegt hieraan toe dat de rechtbank ook nog een uitspraak zal moeten doen op het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944, - aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944, -;

-bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) D.E.P.M. Bary

IvR