Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
23-05-2013
Zaaknummer
10-3676 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (LJN BW0565) heeft het Uwv vragen gesteld aan oogarts, welke zij bij brief van 27 mei 2012 heeft beantwoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 6 juni 2012 een nader rapport uitgebracht. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om een beperking aan te nemen in verband met het gezichtsvermogen van appellant. In de gedingstukken is niet gebleken van eerdere meldingen door appellant van verminderd gezichtsvermogen dan in hoger beroep. De brief van oogarts van 27 mei 2012 biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat bij appellant op de datum in geding sprake was van zodanige belemmeringen in het zien dat het aannemen van een beperking aangewezen was. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de voor de datum in geding voor appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding geen juist beeld geeft van zijn mogelijkheden en beperkingen tot het verrichten van arbeid. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid is door het Uwv genoegzaam gemotiveerd dat de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies binnen het bereik van de mogelijkheden van appellant liggen. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke motivering, is er aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3676 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 mei 2010, 08/640 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 17 mei 2013.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 30 maart 2012 (LJN BW0565) een tussenuitspraak gedaan. Bij de tussenuitspraak is het Uwv opgedragen het gebrek in het besluit van 22 januari 2008 te herstellen.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak nadere stukken ingebracht.

Bij brief van 6 juli 2012 heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, de zienswijze van appellant naar voren gebracht.

Bij brief van 24 juli 2012 heeft de Raad vragen gesteld aan het Uwv. Bij brieven van 24 september 2012 en 1 oktober 2012 heeft het Uwv hierop gereageerd en daarbij nadere stukken ingebracht. Bij brief van 22 oktober 2012 heeft appellant hierop gereageerd.

Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schermerhorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 30 maart 2012 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. In deze tussenuitspraak is met betrekking tot het besluit van 22 januari 2008 (bestreden besluit), waarbij het Uwv, beslissende op het bezwaar van appellant, de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant met ingang van 1 september 2005 (ongewijzigd) heeft vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met ingang van 21 januari 2008 herzien naar 25 tot 35%, geoordeeld dat de beroepsgronden die zien op de been-, blaas- en stoelgangklachten niet slagen. Tevens is in de tussenuitspraak geoordeeld dat de stelling van appellant, dat het Uwv vanwege zijn psychische klachten een urenbeperking had moeten aannemen, niet wordt gevolgd. Met betrekking tot het gezichtsvermogen van appellant is in de tussenuitspraak het volgende geoordeeld:

“Met betrekking tot het gezichtsvermogen van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 17 mei 2011 te kennen gegeven dat appellant sinds zijn jeugdjaren een verminderde visus heeft, dat hij hiermee al jaren zijn functie als chauffeur heeft kunnen vervullen en dat het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen appellant - ondanks zijn verminderde visus - geschikt heeft verklaard. In het rapport van 20 juli 2011 herhaalt de bezwaarverzekeringsarts haar standpunt, dat er geen beperking hoeft te worden aangenomen in dit verband. De Raad volgt dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts - op basis van de huidige ter beschikking bestaande gegevens - niet. Oogarts Dijkstra heeft in de in 3.2 vermelde rapporten na visusonderzoek aangegeven dat de gezichtsscherpte van appellant lager is dan gemiddeld voor de populatie op deze leeftijd, dat het aangeboren is en dat het aannemelijk is dat de visus - met maximale brilcorrectie - nooit beter is geweest dan wat die nu is. Gezien deze informatie in samenhang met het gegeven dat in (een aantal van de) aan de schatting ten grondslag gelegde functies gewerkt wordt met (zeer) kleine onderdelen en het uitvoeren van visuele controle vereist is, is de Raad van oordeel dat een zorgvuldige voorbereiding van de door de bezwaarverzekeringsarts gevormde opvatting omtrent het gezichtsvermogen van appellant meebrengt dat zij een nader onderzoek had moeten verrichten, in de vorm van het inwinnen van nadere informatie bij de oogarts. Aan deze oogarts dient in ieder geval de vraag te worden voorgelegd wat er wordt bedoeld met haar vaststelling dat de gezichtsscherpte van appellant lager is dan gemiddeld.”

2.1. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv vragen gesteld aan oogarts Dijkstra, welke zij bij brief van 27 mei 2012 heeft beantwoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 6 juni 2012 een nader rapport uitgebracht. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om een beperking aan te nemen in verband met het gezichtsvermogen van appellant. Na vragen van de Raad heeft het Uwv een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 september 2012 ingebracht, waarin te kennen wordt gegeven dat visus een subjectief begrip is. Verzekeringsartsen gaan af op wat verzekerden als klachten melden. Rondom de datum in geding was de visus van appellant al jaren stabiel. Aangezien appellant tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek noch op de hoorzitting in bezwaar melding heeft gemaakt van zijn visusklachten, maar dit eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is het volgens de bezwaarverzekeringsarts niet aannemelijk dat appellant op de datum in geding in dit verband beperkt was.

2.2. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. De oogarts heeft immers geen specifiek oordeel gegeven over het gezichtsvermogen van appellant, maar slechts algemene informatie over de problematiek. Wel geeft de oogarts te kennen dat de visus van appellant door zijn (dubbelzijdige) amblyopie niet optimaal is ontwikkeld, waardoor bepaalde kleine details of lettertjes niet kunnen worden gezien. Hiermee is volgens appellant aannemelijk gemaakt dat er een beperking dient te worden aangenomen op het aspect zien. In reactie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 september 2012 voert appellant aan dat hij in het verleden meerdere malen melding heeft gemaakt van zijn verminderd gezichtsvermogen.

3.1. De Raad is van oordeel dat het Uwv heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het Uwv heeft desgevraagd nadere informatie verkregen van de oogarts, de bezwaarverzekeringsarts heeft deze informatie betrokken bij de oordeelsvorming en op grond daarvan heeft het Uwv geconcludeerd dat er geen beperking wordt aangenomen in verband met de visus van appellant. In zijn brief van 22 oktober 2012 heeft appellant bevestigd dat er geen rapport van de low vision werker bestaat omdat hij nooit aan een dergelijk onderzoek heeft meegewerkt. Het onderzoek naar het gezichtsvermogen voldoet thans aan de zorgvuldigheidseisen.

3.2. De Raad kan zich voorts verenigen met de visie van de bezwaarverzekeringsarts, als neergelegd in de eerder genoemde rapporten van 6 juni 2012 en 18 september 2012. In de gedingstukken is niet gebleken van eerdere meldingen door appellant van verminderd gezichtsvermogen dan in hoger beroep. De brief van oogarts Dijkstra van 27 mei 2012 biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat bij appellant op de datum in geding sprake was van zodanige belemmeringen in het zien dat het aannemen van een beperking aangewezen was. De bij brief van 22 februari 2013 ingebrachte resultaten van een in 1998 uitgevoerde ogentest bevatten deze aanknopingspunten evenmin. Voor het benoemen van een deskundige bestaat dan ook geen aanleiding.

3.3. Overwegingen 2.1 tot en met 3.2, bezien in samenhang met de overwegingen in de tussenuitspraak, leiden tot de conclusie dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de voor de datum in geding voor appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding geen juist beeld geeft van zijn mogelijkheden en beperkingen tot het verrichten van arbeid.

3.4. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid is door het Uwv genoegzaam gemotiveerd dat de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies binnen het bereik van de mogelijkheden van appellant liggen.

3.5. In de tussenuitspraak heeft de Raad geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en daarom niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, had vastgesteld, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.1 tot en met 3.4 volgt, evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, had vastgesteld, dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond dient te worden verklaard, het bestreden besluit vernietigd dient te worden en moet worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Gelet op deze uitkomst zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

4. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke motivering, is er aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.652,- voor verleende rechtsbijstand (één punt voor het hoger beroepschrift, één punt voor het bijwonen van de zitting, een half punt voor het indienen van de zienswijze en tweemaal een half punt voor het bijwonen van de nadere zittingen) en op € 51,- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.703,-. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het Uwv al veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep. De Raad ziet geen aanleiding om in dit verband tot een ander oordeel te komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.703,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

JvC