Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
23-05-2013
Zaaknummer
11-6530 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Voldoende medische onderbouwing. In de FML is voldoende rekening gehouden met de bijzondere beperkingen die geluxeerd zijn door de aanpassingsstoornis. Terecht is het Uwv bij de vaststelling van de urenomvang van de maatman uitgegaan van de opgave van appellante op het aanvraagformulier. Er zijn onvoldoende verifieerbare gegevens ingebracht door appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat zij destijds (veel) minder dan 40 uur per week werkte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6530 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 september 2011, 09/1557 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 juni 2012 heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, zich als gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beekelaar. Het Uwv is niet verschenen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarbij is afgesproken dat appellante de gelegenheid krijgt om de gronden van het hoger beroep aan te vullen.

Appellante heeft nadere stukken ingediend van psycholoog E. Bolijn en afschriften van contracten voor optredens over de jaren 1994 tot en met 1996.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met onder meer rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 15 oktober 2012 en 8 maart 2013 en een brief van 14 maart 2013.

Vervolgens is het onderzoek ter zitting hervat op 22 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beekelaar. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante genoot sinds 25 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar uitkering per 23 december 2008 wordt beëindigd omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van 27 februari 2009 ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.1. Bij tussenuitspraak van 6 juli 2010, 09/1557, heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts gestelde diagnoses ten aanzien van de psychische klachten van appellante zijn van onvoldoende medische onderbouwing voorzien. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zijn onvoldoende gemotiveerd ten aanzien van de door hem vastgestelde psychische beperkingen en ook ten aanzien van de door de behandelende sector in december 2005 gestelde diagnose van licht obstructief slaapapneu (OSAS).

De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verkrijgen over de psychische klachten van appellante en over de slaapproblematiek om vervolgens op basis van deze informatie te beoordelen of dit zal leiden tot een wijziging van (de motivering) van het bestreden besluit.

2.2. Het Uwv heeft nadere informatie verkregen van de huisarts van appellante, de behandelende longarts en KNO-arts en de behandelende psycholoog. Bij rapportages van 8 maart 2011 en van 30 maart 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts verslag gedaan van zijn bevindingen en conclusies. Hij is tot de conclusie gekomen dat de verkregen informatie niet tot een ander oordeel leidt. Hij handhaaft de gestelde diagnoses van aanpassingstoornis met depressieve stemming en lichte OSAS en de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 augustus 2008.

2.2 Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat nu is gebleken dat er sprake was van lichte OSAS zonder behandeling, er op dit punt terecht geen beperkingen zijn opgenomen in de FML. Appellante is sinds 28 januari 2010 in behandeling bij psycholoog E. Olde, die de diagnose van PTSS heeft gesteld. De rechtbank ziet geen grond voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat deze diagnose niet zonder meer op de datum in geding ziet en bovendien niet veel afwijkt van de aangenomen diagnose van aanpassingsstoornis ten aanzien van de eruit voortvloeiende beperkingen en dat de vastgestelde beperkingen in de FML afdoende zijn.

Ten aanzien van de aangevoerde grond met betrekking tot de urenomvang van de maatmanfunctie is de rechtbank van oordeel dat dit punt te laat in de procedure is aangevoerd en dat deze grond overigens niet kan slagen gelet op de eigen opgave van appellante in december 2000 waarin zij heeft aangegeven 40 uur per week te werken.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische beperkingen die met name voortvloeien uit de ziekte PTSS. Ter onderbouwing heeft zij brieven ingediend van E. Bolijn, psycholoog, gedateerd 9 juli 2012 en 24 augustus 2012. Verder heeft zij aangevoerd dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van een omvang van de maatmanfunctie van 40 uur per week. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij afschriften ingediend van contracten voor optredens in de jaren 1994 tot en met 1996.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft, daartoe aangezet door de rechtbank, in de beroepsfase nog informatie gevraagd bij de behandelende artsen van appellante. Op basis van de verkregen informatie van de huisarts van appellante, haar longarts en haar KNO-arts en psycholoog Olde heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapportages van 8 maart 2011 en van 30 maart 2011 geconcludeerd dat appellante op de datum in geding, 23 december 2008, beperkingen ondervond ten gevolge van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming welke volgens de rechtbank op juiste wijze zijn opgenomen in de FML van 18 augustus 2008. Voor de lichte OSAS achtte de bezwaarverzekeringsarts geen nadere beperkingen in de FML aangewezen. Bij die FML zijn de volgende beperkingen aangenomen: een voorspelbare werksituatie, geen veelvuldige deadlines/productiepieken, niet langdurig achtereen complexe materie en niet teveel zaken tegelijk, hanteren van emotionele problemen van anderen, omgaan met conflicten en geen solitaire functie. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit met deze rapportages van de bezwaarverzekeringsarts is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering en dat voldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. De door appellante in eerste aanleg ingediende medische informatie ziet niet op de datum in geding, 23 december 2008. De door de bezwaarverzekeringsarts tijdens de beroepsfase verkregen informatie van de huisarts en KNO-arts bevat geen nieuwe gezichtspunten. De verkregen informatie van psycholoog Olde doet niet af aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben appellante immers gezien tijdens hun onderzoek op 18 augustus 2008 respectievelijk 21 januari 2009, welke data dicht bij de datum in geding liggen. De dossierstukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts zoals nader onderbouwd in zijn rapportages van 8 maart 2011 en 30 maart 2011 en de bijbehorende FML van 18 augustus 2008. De in hoger beroep ingediende brieven van psycholoog Bolijn van 9 juli 2012 en 24 augustus 2012 doen hieraan evenmin af. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapportage van 8 maart 2013 toegelicht dat met de door Bolijn gestelde diagnose van aanpassingsstoornis, die in lijn ligt met de diagnose van de verzekeringsarts in augustus 2008, rekening is gehouden en dat appellante met de door Bolijn vastgestelde persoonlijkheidsstoornis destijds heeft gefunctioneerd en dat met de bijzondere beperkingen die geluxeerd zijn door de aanpassingsstoornis, rekening is gehouden in de FML. Er is geen aanleiding om dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen. Er is dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.3. Terecht is het Uwv bij de vaststelling van de urenomvang van de maatman uitgegaan van de opgave van appellante op het aanvraagformulier. Op dit aanvraagformulier voor een WAZ-uitkering, gedateerd 28 december 2000, heeft appellante destijds zelf aangegeven dat zij gemiddeld ongeveer 40 uur per week werkte als artieste (zangeres, presentatrice, (stem)actrice). Hierbij heeft zij als toelichting gegeven ten aanzien van de urenomvang: “Moeilijk te zeggen, ben er thuis altijd mee bezig (oefenen, liedjes zoeken, teksten uitzoeken, kopieën maken (cass.), bellen, versturen, etc...” Naar aanleiding van het besluit tot beëindiging van de WAZ-uitkering per de datum in geding heeft zij bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de urenomvang van de maatman op 40 uur per week en heeft zij aangevoerd dat zij slechts 10 uur per week werkte als zangeres. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij in hoger beroep stukken ingezonden waaruit blijkt dat zij in de jaren 1994 tot en met 1996 voor diverse optredens als zangeres f 975,- betaald kreeg voor een optreden van 30 minuten. De overgelegde overeenkomsten betreffen echter niet alle optredens die zij heeft gedaan over deze periode, gelet op de winstcijfers van de Belastingdienst. Bovendien vormen de overeenkomsten voor een optreden van 30 minuten onvoldoende indicatie voor het aantal uren dat een optreden aan (voorbereidings-) werkzaamheden vergde. De stelling van appellante dat de toelichting die zij destijds heeft vermeld op het aanvraagformulier zo moet worden gelezen dat zij weliswaar de hele dag met haar werk als zangeres bezig was maar dat dit niet moet worden gezien als arbeidsuren omdat zij haar werk als hobby zag, acht de Raad, wat daar verder van zij, niet bruikbaar voor het verkrijgen van beter inzicht in het aantal arbeidsuren. Er zijn onvoldoende verifieerbare gegevens ingebracht door appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat zij destijds (veel) minder dan 40 uur per week werkte. Op basis van de door appellante gestelde urenomvang op het aanvraagformulier en de door haar vermelde werkzaamheden als artieste en gelet op de bij het Uwv bekende winstcijfers van de Belastingdienst over 1994 tot en met 1996 was er voor het Uwv geen aanleiding om te twijfelen aan de door appellante aangegeven urenomvang van 40 uur per week. Appellante heeft achteraf onvoldoende verifieerbare gegevens overgelegd die twijfel oproepen aan de door het Uwv vastgestelde urenomvang van 40 uur.

4.4. Gelet op de overwegingen 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

TM