Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
23-05-2013
Zaaknummer
12-721 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7427, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van de over de startperiode als zelfstandige onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Meer inkomsten verworven dan als voorschot-WW ontvangen. Geen sprake van onjuiste voorlichting. Appellant had op de hoogte kunnen zijn van de berekeningswijze. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/721 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2011, 11/1061 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door een enkelvoudige kamer plaatsgevonden op 27 juni 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 10 april 2013. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 3 april 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij brief van 5 maart 2007 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat hij op 19 februari 2007 de kans heeft gekregen om als zelfstandige aan de slag te gaan. Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het Uwv appellant op grond van artikel 77a van de WW toestemming gegeven voor een startperiode als zelfstandige gedurende de periode van 19 februari 2007 tot en met 18 augustus 2007. In dat besluit is tevens meegedeeld dat tijdens deze periode de uitkering doorloopt en dat op die uitkering 70% van zijn inkomsten als zelfstandige in mindering zal worden gebracht. Ten slotte is meegedeeld dat de uitkering als voorschot betaalbaar wordt gesteld en dat het Uwv na de startperiode appellant nader zal informeren over de verrekening van zijn inkomsten.

1.2. Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant meer inkomsten dan het voorschot heeft ontvangen en is een bedrag van € 9.755,20 van hem teruggevorderd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 9.754,99 en het af te lossen bedrag gesteld op € 100,- per maand.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de voorlichting die hij heeft gekregen over de berekeningswijze onvoldoende is geweest en dat hem door mevrouw [E.] van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) is verteld dat de WW-uitkering als startkapitaal gezien moest worden waarvan een gedeelte eventueel terugbetaald zou moeten worden.

3.2 Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Of mevrouw [E.] van het CWI, zoals appellant heeft gesteld, de in 3.1 vermelde informatie voor de aanvang van de werkzaamheden als zelfstandige aan appellant inderdaad heeft verstrekt, kan thans niet meer worden nagegaan. Ter zitting heeft het Uwv meegedeeld niet over gegevens te beschikken waarin de naam [E.] voorkomt. Het besluit van

22 maart 2007 vermeldt slechts dat 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering zal worden gebracht maar niet over welke periode die inkomsten zouden worden berekend. Appellant zou na de startperiode nader worden geïnformeerd over de verrekening van de inkomsten. Uit de door appellant ondertekende re-integratievisie van 6 maart 2007 blijkt niet dat deze de wijze van berekening met appellant heeft besproken. Uit het verslag van het telefoongesprek met de re-integratiecoach van 26 september 2007 blijkt evenmin dat de berekeningswijze met appellant is besproken. Dat verslag meldt enkel dat appellant weet dat te zijner tijd verrekening plaatsvindt. Van onjuiste voorlichting van de kant van het Uwv is geen sprake geweest.

4.2. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat appellant op de hoogte had kunnen zijn van de berekeningswijze nu het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW (Besluit) van 28 juni 2006 in het Staatsblad 2006, 305 is gepubliceerd. Voor zover al uit artikel 3 van het Besluit niet onmiddellijk duidelijk was dat die berekeningswijze een andere was dan appellant zich voorstelde, volgt ook uit de nota van toelichting bij het Besluit op de bladzijden 4 en 6 ondubbelzinnig dat de berekening van de inkomsten van de startende zelfstandige zich uitstrekt over een periode van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden en dat de inkomsten naar rato over die 52 weken worden verdeeld. Dat noch het Uwv noch de

re-integratiecoach appellant heeft geïnformeerd over de precieze wijze van berekening en ook het gegeven dat het Uwv de informatievoorziening over dit onderwerp aanvankelijk nog niet op orde had, brengen niet mee dat de rechtbank het bestreden besluit had moeten vernietigen.

4.3. Appellant bestrijdt in hoger beroep niet dat de berekening, die op basis van het Besluit van zijn inkomsten is gemaakt, juist is. Het in het bestreden besluit genoemde bedrag aan voorschotten is onverschuldigd aan appellant betaald.

4.4. In artikel 36, eerste lid, van de WW is terugvordering van wat onverschuldigd is betaald dwingend voorgeschreven. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv op grond van artikel 36, vierde lid, van de WW besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen in de zin van artikel 36, vierde lid, van de WW gelegen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat bij de invordering rekening wordt gehouden met de zogenoemde beslagvrije voet.

4.5. De slotsom is dat het Uwv gehouden was de over de startperiode onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

QH