Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
12/2358 WWB, 12/2359 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekeningen. Niet overleggen van gevraagde afschriften. Nieuwe bijstandsaanvraag. De schuld van appellant aan het college ten bedrage van € 197.007,87 is eerst na de hier te beoordelen periode komen vast te staan en telt voor de vaststelling van het vermogen van appellant ten tijde van de aanvraag dus niet mee. Dit betekent dat appellant niet heeft aangetoond dat zijn situatie ten tijde van de aanvraag was gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking per 9 juli 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2358 WWB, 12/2359 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 maart 2012, 10/6049 en 10/2708 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

Datum uitspraak 21 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.L. Hoogendoorn, advocaat, in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. Partijen zijn in beide zaken opgeroepen. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote E. [H.] ([H.]) ontvingen vanaf 4 november 1982 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Uit een vermogenssignaal in 2007 is gebleken dat appellant en [H.] beschikten over een en/of-bankrekening bij ABN/AMRO, nummer [nummer], met daarop een tegoed van € 16.000,--. Voorts is gebleken dat er ook een spaarrekening bij ABN/AMRO, nummer [nummer], op naam van appellanten stond. Van beide rekeningen heeft appellant geen mededeling gedaan aan het college. Appellant is vervolgens uitgenodigd bankafschriften van deze rekeningen over de periode vanaf de datum van opening over te leggen. Omdat appellant daaraan niet had voldaan, heeft het college bij besluit van 14 juli 2009 het recht op bijstand vanaf 9 juli 2009 opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld de betreffende bankafschriften vóór 28 juli 2009 alsnog over te leggen. Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college de bijstand met ingang van 9 juli 2009 ingetrokken, omdat appellant de gevraagde bankafschriften niet vóór 28 juli 2009 heeft overgelegd. Appellant heeft tegen de besluiten van 14 juli 2009 en 11 augustus 2009 geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Appellant heeft op 2 september 2009 weer bijstand aangevraagd.

1.4. Bij besluit van 9 november 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2010 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van 2 september 2009 afgewezen. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de omstandigheden ten opzichte van de datum van intrekking,

9 juli 2009, zijn gewijzigd in die zin dat appellant nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

1.5. Bij besluit van 2 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2010 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 8 juli 2009 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 197.007,87 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, nu hij volgens zijn mededelingen reeds 30 à 35 jaar geleden is begonnen met werkzaamheden als informant van de politie en hiervoor contant geld heeft gekregen, zonder deze inkomsten, noch de genoemde bankrekeningen, op te geven bij het Team Werk en Inkomen van de gemeente Leiden. Dientengevolge is de hoogte van de inkomsten niet duidelijk geworden, zodat niet kan worden vastgesteld of appellant met ingang van 1 juli 1997 recht op bijstand had, aldus het college.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en de terugvordering

4.1. Appellant heeft verzocht om omkering van de bewijslast ten gevolge van bewijsnood en gesteld dat hij met zijn werkzaamheden als informant voor de narcoticapolitie in elk geval niet meer heeft verdiend dan uit zijn bankafschriften blijkt. Verder heeft hij aangevoerd dat het recht op bijstand in de betreffende periode kan worden vastgesteld op basis van zijn verklaringen. Voorts heeft hij gesteld dat hij met zijn echtgenote afhankelijk is van een AOW-uitkering, zodat hij, gelet op de hoogte van het teruggevorderde bedrag, tot aan zijn dood zal moeten terugbetalen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn naar zijn mening bijzondere omstandigheden, namelijk onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen, gelegen op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de beleidsregel had moeten afwijken. De rechtbank heeft zich hierover niet in haar uitspraak uitgelaten en heeft aldus in strijd met het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb niet de volle omvang van het geschil in haar overwegingen betrokken.

4.2. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Nu niet in geschil is dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van de werkzaamheden die hij gedurende 30 à 35 jaar heeft verricht en van de daaruit genoten inkomsten, lag het echter op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is daarin ook in hoger beroep niet geslaagd.

4.3. Appellant heeft de door hem gestelde bewijsnood over zichzelf afgeroepen nu hij in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft nagelaten het Team Werk en Inkomen van het begin af aan volledig in te lichten over zijn werkzaamheden en verdiensten als informant. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden. Omdat de betalingen aan appellant uitsluitend contant hebben plaatsgevonden en appellant hiervan nooit enige vorm van administratie heeft bijgehouden, kan niet worden uitgesloten dat appellant in al die jaren meer heeft verdiend dan het bedrag van € 16.000,--, welk bedrag blijkens de bankafschriften op 23 augustus 2007 op zijn rekeningnummer [nummer] is gestort. Dat er over de inkomsten die appellant destijds als informant heeft genoten thans geen verifieerbare gegevens meer zijn te achterhalen bij de politie, zoals appellant heeft aangevoerd, is een omstandigheid waarvan de gevolgen, anders dan appellant meent, geheel voor zijn rekening en risico dienen te komen.

4.4. Aangezien aan appellant over de periode van 1 juli 1997 tot en met 8 juli 2009 ten onrechte bijstand is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen door appellant van de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting, was het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over die periode.

4.5. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Met wat hiervoor is overwogen is gegeven is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het college is daarom bevoegd de kosten van bijstand over de periode 1 juli 1997 tot en met 8 juli 2009 van appellant terug te vorderen.

4.7. Het college voert het beleid, neergelegd in de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand, dat in de gevallen, bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd en dat van terugvordering kan worden afgezien indien hiertoe een dringende reden aanwezig is.

4.8. Het college heeft in overeenstemming met zijn beleidsregel tot terugvordering besloten.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen in bovengenoemde zin en evenmin een grond voor het oordeel dat het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien. Met betrekking tot de financiële gevolgen van de onderhavige terugvordering heeft appellant als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.9. Anders dan appellant meent heeft de rechtbank in (overweging 4.6 van) de aangevallen uitspraak wel een oordeel gegeven over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de beleidsregels had moeten afwijken. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. De grond van appellant heeft geen doel.

4.10. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

De aanvraag van 2 september 2009

5. De door de Raad te beoordelen periode loopt van 2 september 2009 tot en met de datum van het besluit van 9 november 2009.

5.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel degelijk alle bankafschriften heeft overgelegd en dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat appellant na bekendmaking van het besluit van 2 maart 2010 een schuld had aan het college van

€ 197.007,87 ten gevolge van de terugvordering van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 8 juli 2009. Het had de rechtbank dan ook duidelijk moeten zijn dat appellant ten tijde van de aanvraag niet beschikte over een in aanmerking te nemen vermogen.

5.2. Dat appellant ten tijde van de aanvraag alle beschikbare bankafschriften reeds had overgelegd, laat onverlet dat bij het ontbreken van een deugdelijke administratie van de in contanten ontvangen inkomsten niet kan worden vastgesteld of appellant toen voldeed aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De schuld van appellant aan het college ten bedrage van € 197.007,87 is eerst na de hier te beoordelen periode komen vast te staan en telt voor de vaststelling van het vermogen van appellant ten tijde van de aanvraag dus niet mee. Dit betekent dat appellant niet heeft aangetoond dat zijn situatie ten tijde van de aanvraag was gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking per 9 juli 2009.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat ook dit hoger beroep niet slaagt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.R. Schuurman

HD