Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
10-2489 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekiking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante en betrokkene in de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante. Evenals de rechtbank kent de Raad hierbij zwaarwegende betekenis toe aan de door appellante en betrokkenen, afzonderlijk van elkaar, tegenover twee sociaal rechercheurs afgelegde, en na lezing ondertekende, verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2489 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 maart 2010, 09/1431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. J.J. Achterveld, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door J.M. [naam D.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

T.M. de Vries.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen een nieuwe advocaat te raadplegen. Bij brief van 15 november 2011 heeft appellante J.M. [naam D.] ([naam D.]) als haar gevolmachtigde aangewezen.

De Raad heeft kennis genomen van de uitspraak van het Hof van Discipline van 24 september 2012 in de zaak naar aanleiding van het beklag van appellante tegen de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Leeuwarden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 april 2013. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Hulzinga.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 februari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij staat sinds 1 januari 2006 ingeschreven op het adres [adres A.] te [woonplaats].

1.2. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [naam D.] heeft het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn geautomatiseerde bestandsgegevens vergeleken, zijn observaties verricht en buurtbewoners gehoord in de omgeving van de woning van appellante en in de omgeving van de woning [adres B.] te [plaatsnaam], zijnde het adres waarop [naam D.] staat ingeschreven, is informatie opgevraagd bij diverse instanties en zijn appellante en [naam D.] gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 oktober 2008 opgemaakt door de Sociale Recherche Fryslân.

1.3. Bij besluit van 5 november 2008 (hierna: besluit I) heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2008 geblokkeerd. Bij besluit van 18 november 2008 (hierna: besluit II) heeft het college de bijstand van appellante vanaf 1 februari 2008 ingetrokken omdat appellante met [naam D.] een gezamenlijke huishouding voert waarvan zij geen melding heeft gedaan aan het college. Daarnaast heeft het college bij besluit van 21 november 2008 (besluit III) de gemaakte kosten van bijstand over de periode 1 februari 2008 tot en met 30 september 2008 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 9.443,24 bruto. Bij besluit van 16 december 2008 (besluit IV) heeft het college besluit III in die zin gewijzigd dat de terugvordering is vastgesteld op € 6.920,62 netto, te vermeerderen met afgedragen premies en belasting voor zover de vordering niet is voldaan voor

31 december 2008.

1.4. Bij besluit van 7 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellante met [naam D.] over de te beoordelen periode vanaf 1 februari 2008 een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB heeft gevoerd. De rechtbank heeft hierbij overwogen geen aanleiding te zien appellante en [naam D.] niet te houden aan de door hen ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij en [naam D.] niet kunnen worden gehouden aan de door hen - afzonderlijk - ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen omdat er sprake was van ontoelaatbare druk bij het afleggen van die verklaringen. Voorts bieden de overige bevindingen onvoldoende grondslag voor de aanname dat appellante met [naam D.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2008, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 18 november 2008, de datum van het besluit waarbij de bijstand is ingetrokken.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat is gebaseerd dat de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [naam D.] in de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante. Evenals de rechtbank kent de Raad hierbij zwaarwegende betekenis toe aan de door appellante en [naam D.], afzonderlijk van elkaar, tegenover twee sociaal rechercheurs afgelegde, en na lezing ondertekende, verklaringen. Uit deze verklaringen blijkt dat [naam D.] al vele jaren voor het merendeel van de tijd op het adres van appellante verblijft. Hij gaat een paar keer per week naar zijn woning aan de [adres B.] te [plaatsnaam] om zijn post op te halen en soms om de tuin te verzorgen. De overige tijd verblijft hij bij appellante. Voorts blijkt uit de verklaringen dat hij beschikt over een sleutel van de woning van appellante en dat hij gebruik mag maken van de volledige woning van appellante. Appellante en [naam D.] doen geregeld samen boodschappen, appellante kookt voor hen beiden en zij eten gezamenlijk. Daarnaast wast appellante de kleding van [naam D.] en betaalt zij (mee) aan de kosten voor de brommer van [naam D.]. Verder doet [naam D.] de administratie van appellante en klust in haar woning.

4.7. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 20 oktober 2009, LJN BK1252) mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij er zodanige bijzondere omstandigheden zijn geweest dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De processen-verbaal van de verhoren van appellante en [naam D.] zijn door de sociaal rechercheurs op ambtsbelofte opgemaakt, de verklaringen zijn voorgelezen en appellante en [naam D.] hebben deze vervolgens (zonder voorbehoud) per bladzijde ondertekend.

4.8. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is niet gebleken dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven. Dat appellante en [naam D.] tijdens de verhoren enige druk hebben gevoeld is aannemelijk, maar er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat tijdens de verhoren een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en nog aanvaardbaar is te beschouwen. Appellante heeft haar verklaring op 8 september 2008 afgelegd en ondertekend in het bijzijn van haar (toenmalige) advocaat. De verklaringen van appellante en [naam D.] zijn uitvoerig, gedetailleerd en stemmen in grote lijnen met elkaar overeen. Bovendien vinden de verklaringen steun in de door (voormalige) buurtbewoners van de woningen van appellante en [naam D.] afgelegde verklaringen van [getuige A.], [getuige B.], [getuige C.] en [getuige D.]. De beroepsgrond faalt.

4.9. Gelet op 4.6 tot en met 4.8 behoeft de beroepsgrond dat de overige bevindingen onvoldoende grondslag bieden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding geen bespreking meer.

4.10. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD