Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
12/374 WWB + 12/375 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7799, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand aan appellante 2 (minderjarige dochter) te verstrekken. De rechtbank heeft terecht het beroep van appellant (vader) en appellante 1 (moeder) op persoonlijke titel niet-ontvankelijk geacht, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een rechtstreeks belang hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit nu de aanvraag om bijstand is ingediend namens hun minderjarige dochter. Appellant en appellante 1 hebben slechts een afgeleid belang. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijstand verleend zou moeten worden over een periode voorafgaande aan de datum van aanvraag. Detentie niet gemeld. Als appellant vóór of direct bij aanvang van zijn detentie aan deze inlichtingenverplichting had voldaan, dan was de bijstandsverlening aan appellant per 10 december 2009 tijdig gestaakt en had appellante 2 onmiddellijk bijstand kunnen aanvragen. Niet aannemelijk is dat ten aanzien van appellante 2 in de periode in geding niet is voorzien in de kosten van voeding, kleding en andere essentiële voor haar noodzakelijke kosten. De omstandigheid dat de gemaakte kosten van bijstand van appellant over de periode in geding nadien zijn teruggevorderd laat onverlet dat met de in die periode feitelijk ontvangen uitkering in de kosten van levensonderhoud van appellante 2 kon worden voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/374 WWB, 12/375 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 december 2011, 11/1808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Naam appellant] (appellant), [naam appellante 1] (appellante 1) en [naam appellante 2] (appellante 2) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 21 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 9 april 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en appellante 1 zijn met elkaar getrouwd. Tot hun huishouding behoort appellante 2, hun [in] 2007 geboren dochter. Appellant ontving destijds bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 18 juni 2010, voor zover hier van belang, heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 10 december 2009 tot en met 5 februari 2010 (periode in geding) ingetrokken op de grond dat hij in die periode gedetineerd was en om die reden geen recht had op bijstand. Bij dat besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over die periode teruggevorderd. De invordering daarvan heeft plaatsgevonden door middel van verrekening met een nabetaling van bijstand aan appellant en appellante 1. Tegen het besluit van 18 juni 2010 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Appellant en appellante 1 hebben op 26 augustus 2010 namens appellante 2 bijstand aangevraagd over de periode in geding om te voorzien in haar kosten van levensonderhoud. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college afwijzend beslist op deze aanvraag. Bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat er geen dringende redenen zijn om met terugwerkende kracht bijstand voor de kosten van levensonderhoud van appellante 2 als zelfstandig subject van bijstand te verstrekken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat appellant en appellante 1 op persoonlijke titel hebben ingesteld niet-ontvankelijk geacht en het beroep van appellante 2 tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht het beroep van appellant en appellante 1 op persoonlijke titel niet-ontvankelijk geacht, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een rechtstreeks belang hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit nu de aanvraag om bijstand is ingediend namens hun minderjarige dochter. Appellant en appellante 1 hebben slechts een afgeleid belang.

4.2. Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3. Het standpunt dat pas door de terugvordering van de bijstand van appellant over de periode in geding voor appellante 2 de mogelijkheid ontstond om bijstand aan te vragen, zodat het feitelijk voor haar niet mogelijk was om eerder de bijstand aan te vragen, kan niet worden onderschreven. Appellant was ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB verplicht aan het college onverwijld opgave te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op zijn recht op bijstand. Detentie is onmiskenbaar een omstandigheid die onverwijld aan het college moet worden gemeld. Als appellant vóór of direct bij aanvang van zijn detentie aan deze inlichtingenverplichting had voldaan, dan was de bijstandsverlening aan appellant per 10 december 2009 tijdig gestaakt en had appellante 2 onmiddellijk bijstand kunnen aanvragen.

4.4. Met de overgelegde bewijzen van schulden, die volgens appellante 2 zijn ontstaan doordat aan appellant over de periode van 9 oktober 2007 tot en met 21 april 2010 abusievelijk bijstand naar de norm voor een alleenstaande in plaats van naar de norm voor een alleenstaande ouder is verstrekt, is niet aannemelijk gemaakt dat in de periode in geding niet in de kosten van bestaan van appellante 2 was voorzien. Daarbij wordt aangetekend dat in die periode feitelijk bijstand is verstrekt, terwijl in de kosten van levensonderhoud van appellant tijdens zijn detentie op andere wijze was voorzien. Niet aannemelijk is dat ten aanzien van appellante 2 in de periode in geding niet is voorzien in de kosten van voeding, kleding en andere essentiële voor haar noodzakelijke kosten. De omstandigheid dat de gemaakte kosten van bijstand van appellant over de periode in geding nadien zijn teruggevorderd laat onverlet dat met de in die periode feitelijk ontvangen uitkering in de kosten van levensonderhoud van appellante 2 kon worden voorzien.

4.5. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind dermate ongespecificeerd heeft geacht en daarom daarop niet is ingegaan, behoeft geen bespreking omdat dit beroep ziet op het nadeel dat appellante 2 ondervindt van de terugvordering van de kosten van bijstand van appellant en heeft derhalve betrekking op een latere periode dan hier in geding.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

HD