Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
12-327 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking werkleeraanbod en inkomensvoorziening. Appellant heeft niet voldaan aan de op hem rustende verplichtingen zodat het werkleeraanbod kon worden ingetrokken. Gezien het bepaalde in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, van de WIJ bestaat er geen recht op de inkomensvoorziening indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/327 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 december 2011, 11/918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak 21 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de gevoegde zaak met nummer 12/2032 WIJ tussen dezelfde partijen, plaatsgevonden op 9 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.A. Dassen. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op [datum] 1986, ontving vanaf 22 januari 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). De uitkering werd enkele malen onderbroken vanwege inkomsten uit arbeid of gebrek aan medewerking. Laatstelijk werd bij besluit van 26 oktober 2010 een werkleeraanbod toegekend en vanaf

9 november 2010 weer uitkering.

1.2. In het kader van het hem op grond van de WIJ toegekende werkleeraanbod heeft appellant een traject van zes weken bij Work First doorlopen. Dit traject was bedoeld om arbeidsritme op te doen en een praktijkdiagnose te maken voor een vervolgtraject. Appellant heeft dit traject op 25 januari 2011 afgerond. Bij aangetekend verzonden brief van 25 januari 2011 heeft het college appellant in het kader van het werkleeraanbod uitgenodigd voor een gesprek op 31 januari 2011. Bij dat gesprek diende appellant aantoonbare bewijzen van sollicitaties (minimaal 10) mee te nemen. Appellant is 45 minuten te laat op de afspraak verschenen, waardoor het gesprek niet kon doorgaan. Appellant is vervolgens bij aangetekende brieven van 31 januari 2011, 7 februari 2011 en 21 februari 2011 uitgenodigd voor eenzelfde soort gesprek op respectievelijk 7 februari 2011, 18 februari 2011 en 28 februari 2011. Appellant diende nu onder meer minimaal 15 aantoonbare bewijzen van sollicitaties mee te nemen en minimaal 5 inschrijvingen bij uitzendbureaus. Appellant is op 7 februari en 28 februari 2011 niet verschenen en was op 18 februari 2011 anderhalf uur te laat.

1.3. Het college heeft daarop bij besluit van 10 maart 2011 het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening - de laatste was met ingang van 7 februari 2011 opgeschort - per laatstgenoemde datum ingetrokken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juni 2011 (bestreden besluit). Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellant niet heeft meegewerkt aan activiteiten gericht op arbeidsinschakeling, wat hem te verwijten valt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hem vanwege problemen met de postvoorziening geen verwijt treft, dat hij altijd op tijd komt en dat hij toch geen werk zou hebben verkregen. Hij vindt intrekking van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening een te zware maatregel in verhouding tot wat hem verweten wordt. Appellant stelt dat hij voldoende zijn best heeft gedaan om werk te verkrijgen en om zich te scholen. Zo heeft hij op kosten van zijn moeder een opleiding tot vorkheftruckchauffeur gevolgd, in april en augustus 2011 een week gewerkt en vanaf begin september 2011 heeft hij een werkleerovereenkomst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ bepaalt dat het college een aan de jongere gedaan werkleeraanbod kan intrekken of herzien, indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 en hem dit te verwijten valt. Hier is van belang de verplichting uit hoofdstuk 5 vermeld in artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ op grond waarvan de jongere verplicht is mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling.

4.1.2. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, van de WIJ bepaalt dat geen recht op de inkomensvoorziening bestaat indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken.

4.2. De stelling van appellant dat hem niets te verwijten valt omdat hij de uitnodigingen voor de gesprekken niet heeft ontvangen treft geen doel. Naast de omstandigheid dat het niet afhalen van aangetekende stukken, waarvan een afhaalbericht op het juiste adres is achtergelaten - zoals de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft overwogen - voor rekening van appellant dient te komen, is hier ook nog van belang dat appellant, zoals hij ter zitting heeft erkend, over de afspraken op 7 februari en 18 februari 2011 tevoren telefonisch is geïnformeerd door zijn klantmanager. Voorts was appellant ervan op de hoogte, zoals hij ook heeft erkend, dat op 28 februari 2011 een gesprek was gepland, maar die afspraak was hij vergeten. In aanmerking genomen dat de in het kader van het werkleeraanbod te houden gesprekken het oog hadden op de arbeidsinschakeling van appellant, was het college op grond van artikel 21, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ bevoegd het werkleeraanbod van appellant in te trekken. Nu appellant zowel op 31 januari 2011 als op 7 februari 2011 niet was verschenen, bestond deze bevoegdheid reeds op

7 februari 2011.

4.3. In wat appellant verder heeft aangevoerd is voorts geen grond aanwezig voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van het werkleeraanbod gebruik heeft kunnen maken. Het college heeft redelijkerwijs van belang kunnen achten dat het ook reeds maatregelen had opgelegd voor verzuim van appellant bij een traject in 2010. Ook tijdens het traject bij Work First is appellant aangesproken op het niet nakomen van zijn afspraken. Verder heeft het college appellant op 18 februari en 28 februari 2011 de gelegenheid willen bieden zijn verzuim te herstellen, maar appellant heeft de hem geboden kansen niet benut. Dat niet zonder meer vast staat dat appellant werk zou hebben verkregen wanneer hij wel op de afspraken was verschenen is op zich juist, maar het verkrijgen van werk is niet volstrekt ondenkbeeldig te achten.

4.4. Gelet op wat is overwogen onder 4.2 en 4.3 had appellant op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, van de WIJ vanaf 7 februari 2011 geen recht op een inkomensvoorziening, zodat het college op grond van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ bevoegd was de inkomensvoorziening met ingang van die datum in te trekken. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uit gesproken in het openbaar op 21 mei 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

HD