Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
21-05-2013
Zaaknummer
11-5787 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5077, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Appellant heeft vanuit de situatie dat hij een WAO-uitkering ontving in de periode van 15 mei 2010 tot 20 juni 2010 werkzaamheden verricht en daarvoor inkomsten ontvangen, waarover hij geen informatie aan het Uwv heeft verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5787 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

1 september 2011, 11/377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 14 maart 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 19 juni 2010 heeft het Westland Interventie Team een controle uitgevoerd bij tuinder [naam tuinder] te [vestigingsplaats]. Daarbij is appellant werkend aangetroffen, als gevolg waarvan het Uwv een nader onderzoek heeft ingesteld, waarvan op 22 juli 2010 rapport is opgemaakt.

1.2. Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant in de periode van 15 mei 2010 tot 20 juni 2010 heeft gewerkt en inkomsten heeft ontvangen. In verband daarmee zal de WAO-uitkering van appellant over die periode worden uitbetaald naar een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij afzonderlijk besluit van

- eveneens - 21 oktober 2010 heeft het Uwv een bedrag van € 1.226,43 van appellant teruggevorderd in verband met over de voorgenoemde periode onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 14 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen de besluiten van 21 oktober 2010 gemaakte bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het bezwaar van appellant zich richt tegen het door het Uwv geschatte inkomen van € 1.500,00 over de periode 15 mei 2010 tot 20 juni 2010. Omdat concrete verifieerbare gegevens ontbreken heeft het Uwv dit bedrag schattenderwijs vastgesteld op grond van verklaringen van met name de werkgever [naam werkgever] en van de Bulgaarse mevrouw [werkneemster], die komkommers voor appellant heeft geplukt en door appellant werd uitbetaald. De verklaringen van appellant waren volgens het Uwv tegenstrijdig.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ter zitting van 4 juli 2011 bij de rechtbank heeft appellant desgevraagd verklaard dat het beroep alleen (nog) is gericht tegen de hoogte van de door het Uwv vastgestelde inkomsten, voor zover het Uwv hierbij geen rekening heeft gehouden met betalingen van appellant aan mevrouw [werkneemster]. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat uit het rapport werknemersfraude kan worden afgeleid dat appellant, [naam werkgever] noch [werkneemster] enige administratie van de werkzaamheden en de betalingen en inkomsten hebben bijgehouden dan wel hebben verstrekt. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad was het Uwv daarom gerechtigd het door appellant genoten inkomen schattenderwijs vast te stellen op basis van de door [naam werkgever] afgelegde verklaringen. Aan de verklaringen van appellant over zijn met verkoop van stek verworven inkomsten komt minder gewicht toe, nu deze wisselend zijn en appellant voorts verklaard heeft dat hij alles vergeet. De rechtbank heeft daargelaten wat appellant en mevrouw [werkneemster] hebben verklaard over de door appellant aan haar gedane betalingen, omdat moet worden vastgesteld dat een duidelijke en verifieerbare administratie daarvan ontbreekt.

3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw de hoogte van de aan hem toegeschreven inkomsten betwist. Als gevolg daarvan is hij naar zijn mening ten onrechte ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% en wordt een onjuist bedrag van hem teruggevorderd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. In navolging van hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en zoals door appellant ook niet wordt betwist, is ook voor de Raad uitgangspunt dat appellant vanuit de situatie dat hij een WAO-uitkering ontving in de periode van 15 mei 2010 tot 20 juni 2010 werkzaamheden heeft verricht en daarvoor inkomsten heeft ontvangen, waarover hij geen informatie aan het Uwv heeft verstrekt.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde heeft verzuimd concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn werkzaamheden en inkomsten te verschaffen, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De rechtbank heeft in dit kader, gelet op de in overweging 2 weergegeven verklaring van appellant op haar zitting van 4 juli 2011, met juistheid vastgesteld dat alleen nog in geding was de vraag of bij het vaststellen van de hoogte van de inkomsten van appellant terecht geen rekening is gehouden met de door appellant gestelde betalingen aan mevrouw [werkneemster], omdat een duidelijke en verifieerbare administratie daarvan ontbreekt.

4.3. Nu appellant ook in hoger beroep geen gegevens heeft overgelegd die betrekking zouden kunnen hebben op de door hem gestelde betalingen kon de rechtbank tot het oordeel komen dat het Uwv in het bestreden besluit bij de toepassing van artikel 44 van de WAO, bij gebreke van andersluidende verifieerbare gegevens en gelet op het geheel van de zich voordoende feiten en omstandigheden, op juiste wijze schattenderwijs het inkomen van appellant uit zijn arbeid in de periode van 15 mei 2010 tot 20 juni 2010 heeft vastgesteld. Dat brengt met zich dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep van appellant, tegen hetgeen in dat besluit is overwogen omtrent de vermeende betalingen van appellant, door de rechtbank terecht ongegrond is verklaard.

4.4. Uit het overwogene bij 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

QH