Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
21-05-2013
Zaaknummer
11-7214 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een Wet WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7214 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 november 2011, 11 - 464 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Ilik-Cakici, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge van 22 februari 2012 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als accountmanager voor 40 uur per week in het eigen bedrijf toen hij zich, zijnde vrijwillig verzekerd, met ingang van 10 september 2007 ziek meldde met nek-, rug-, arm-, hand- en beenklachten.

2. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 21 januari 2010 onderzocht door de verzekeringsarts R.T. Lansbergen. Deze arts ontving informatie van de neuroloog D. van den Wijngaard van 27 november 2007 en 17 november 2009. In november 2007 concludeerde deze neuroloog tot lumbago met pseudoradiculaire klachten en tot geen aanwijsbare verklaring voor de pijn hoog thoracaal. In november 2009 was zijn conclusie dat er wederom veel klachten waren maar weinig objectieve afwijkingen. In zijn rapport van 15 februari 2010 beschreef Lansbergen de anamnese, het resultaat van het psychisch onderzoek en het onderzoek aan nek, schouders, ellebogen, polsen, handen en rug. Daarbij vond Lansbergen weinig afwijkingen en geen krachtsverlies. Wel werden bewegingsbeperkingen vastgesteld aan de nek en in geringe mate aan de rug en toename van pijnklachten bij grote krachtsinspanning. De bij het neurologisch specialistisch onderzoek gevonden geringe afwijkingen aan de wervelkolom maakte, aldus Lansbergen, het bestaan van pijnklachten aannemelijk. Volgens Lansbergen waren er voldoende argumenten voor beperkingen in de langdurige statische belasting van de nek- en schouderregio en voor rugbelastend werk. Noodzaak voor een urenbeperking zag Lansbergen niet. De beperkingen legde Lansbergen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd bij een vergelijking van de beschreven functiebelasting en de FML vastgesteld dat appellant geschikt was voor de maatgevende functie, Vervolgens stelde het Uwv bij besluit van 9 juli 2010 vast dat voor appellant met ingang van 7 september 2009 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure legde appellant informatie over van de arts voor orthopedische geneeskunde dr. B.A. de Jong van Heliomare van 7 juni 2010 en van de radioloog drs. Ph. Pevenage van 20 september 2010. De Jong concludeerde na onderzoek tot een sterk invaliderend pijnsyndroom zonder noemenswaardige aanwijzingen voor relevante somatische pathologie bij een sterke neiging tot catastroferen en shopping bij behandelaars. De Jong bood appellant een multidisciplinair revalidatieprogramma aan. Pevenage gaf zijn bevindingen bij MRI-onderzoek van de nekwervelkolom weer. Deze hielden met name in verworven kanaalvernauwingen op de niveaus C5-C6-C7 en degeneratieve vernauwingen op deze niveaus beiderzijds.

3.2. Bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge betrok in de bezwaarprocedure de in 3.1 vermelde informatie in haar rapport van 30 november 2010. Zij schreef dat uit deze informatie niet kan worden afgeleid dat appellant niet te belasten was met arbeid en onderbouwde dat geen sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Volgens Van Zalinge had Lansbergen adequate beperkingen in de FML opgenomen ter voorkoming van meer klachten door toename van spierspanning. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2010 bij besluit van 16 december 2010 ongegrond.

4.1. In beroep diende appellant informatie in van de revalidatiearts J.H.M. Dekker van Heliomare over de op 19 februari 2011 afgesloten behandeling. Dekker wees op de degeneratieve afwijkingen beschreven door Pevenage, de wijze waarop appellant met spanning, stress en emoties omging en de verbetering daarin bij de revalidatiebehandeling zodanig dat dit had geleid tot periodes met aanzienlijke pijnvermindering en normalisering van bewegingen. Volgens Dekker zou het vasthouden van dit resultaat in combinatie met de toegenomen degeneratieve afwijkingen een voortdurende inspanning vergen die ten koste gaat van de energie voor andere zaken.

4.2. In reactie op de informatie van Dekker wees Van Zalinge in een rapport van 4 juli 2011 erop dat er, gelet op de informatie van radioloog Pevenage, mogelijk sprake was van een verslechtering op 20 september 2010 en wees zij voorts op haar conclusie in haar in 3.2 vermelde rapport over de in 3.1 weergegeven informatie.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 16 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond.

5.2. De rechtbank zag onvoldoende grond voor het oordeel dat de rapporten van Lansbergen en Van Zalinge onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voorts bestonden er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van die rapporten. Ten slotte stelde de rechtbank vast dat er geen gegevens zijn ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het eigen werk van appellant niet juist is beschreven.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in zijn beleving Lansbergen zijn klachten niet serieus nam en vooringenomen was. Voorts wees appellant erop dat in de Nota van toelichting bij het Schattingsbesluit is aangegeven dat het feit dat geen lichamelijke of psychische oorzaken gemeten of aangetoond kunnen worden, niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen of handicaps bestaan en dat van belang is of deze aannemelijk zijn en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. In dit verband wees appellant ook op de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 december 2004, LJN AR7649) die inhoudt dat in bijzondere gevallen toch arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen als bij de onafhankelijk medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is. Gezien de informatie van de behandelende sector meent appellant dat in zijn geval aan deze maatstaf is voldaan.

7.1. De Raad heeft in het hoger beroep geen aanknopingspunten gezien om het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Naast de overwegingen van de rechtbank merkt de Raad op dat, wat verder ook zij van de beleving van appellant over het onderzoek van Lansbergen, er geen aanknopingspunten zijn dat deze verzekeringsarts appellant niet serieus heeft genomen en vooringenomen was. Uit het in overweging 2 samengevat weergegeven rapport komt naar voren dat Lansbergen een uitgebreide medische anamnese en een anamnese op het niveau van arbeid en re-integratie en de claimklachten heeft afgenomen. Voorts heeft Lansbergen zijn bevindingen bij het psychisch en uitgebreid lichamelijk onderzoek beschreven. Verder heeft Lansbergen beschikbaar gekomen informatie uit de behandelende sector beschreven en meegewogen. Gelet hierop en op de beschouwing kan - evenmin als de rechtbank heeft gedaan - niet worden geoordeeld dat het rapport van Lansbergen onzorgvuldig, onvolledig of onjuist is.

7.2. Wat betreft het beroep van appellant op de aanwezigheid van een bijzonder geval als bedoeld in overweging 6 overweegt de Raad dat uit de overgelegde informatie van de behandelende sector geenszins kan worden opgemaakt dat, voor zover daarin al een opvatting kan worden gelezen over (on)geschiktheid van appellant op medische gronden tot het verrichten van zijn maatmanfunctie, er geen sprake is van een in de rechtspraak van de Raad vereiste eenduidige, consistente en medisch naar behoren gemotiveerde opvatting daarover als bedoeld in overweging 6. Dat appellant niet zou zijn te belasten met arbeid valt, zoals Van Zalinge ook reeds opmerkte in haar rapporten van 30 november 2010 en 14 juli 2011, in elk geval niet af te leiden uit de informatie van de neuroloog Van den Wijgaard, de arts De Jong en de radioloog Pevenage en leest de Raad ook niet in de informatie van Dekker. In zijn brief aan de huisarts van 9 maart 2011 schrijft Dekker zelfs dat appellant inmiddels heeft laten zien klachtenvrij te kunnen functioneren. Voor zover overigens uit de informatie van Pevenage en Dekker zou kunnen worden opgemaakt dat er in verband met de bevindingen van Pevenage in september 2010 sprake was van toegenomen klachten en beperkingen, zien deze bevindingen niet op de datum in geding.

7.3. De overwegingen 7.1 en 7.2 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

NW