Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
11-2772 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts voldoet aan de rechtens daaraan te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2772 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 mei 2010, 10/6556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en is een nader stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Voor appellant is verschenen mr. M.P. de Witte, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Namens appellant, geboren op 17 maart 1965, is met een op 26 februari 2010 ondertekend formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is te kennen gegeven dat appellant sinds ongeveer 1 januari 1980 arbeidsongeschikt is wegens klachten van psychische aard.

2.1. Nadat een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht ten aanzien van appellant heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2010 die aanvraag afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld of appellant rond zijn 17e en 18e verjaardag arbeidsongeschikt was. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de bezwaarfase is bij besluit van 9 september 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit bevat het standpunt van het Uwv dat niet vastgesteld kan worden dat appellant vanaf zijn 17e verjaardag onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Derhalve komt hij niet in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep gelijke gronden aangevoerd als hij in beroep heeft gedaan. Hij stelt dat uit zijn levensgeschiedenis, in combinatie met de bij hem vastgestelde psychiatrische ziekte en de door hem overgelegde informatie van zijn huisarts, kan worden afgeleid dat zijn psychische toestand op zijn vijftiende jaar al zodanig was dat hij zijn school niet heeft kunnen afmaken. De symptomen van zijn aandoening openbaarden zich toen al. Hij heeft aangevoerd dat hij al vanaf zijn zestiende jaar medicatie gebruikt om zijn psychische klachten te onderdrukken en dat hij op zijn 25e jaar voor het eerst werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en in 1996 voor een tweede keer, waarbij de diagnose schizofrenie is gesteld. Daarna is zijn psychische toestand geleidelijk verder achteruit gegaan. Appellant stelt voorts dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben geweigerd een deskundige in te schakelen. Appellant heeft gewezen op gegevens van zijn huisarts waaruit naar voren komt dat appellant bekend is met schizofrenie en dat deze diagnose in 1996 is gesteld. Gewezen is op een verklaring van de opname in Psychiatrische centrum Bloemendaal van 12 juni 1997, een verklaring van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 18 januari 2006, inhoudend dat appellant vanaf 1997 bij GGZ Delfland in behandeling is voor zijn psychiatrische aandoening en informatie over een medische beoordeling in het kader van de Wet werk en bijstand uit 2006. Verder heeft appellant, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, betoogd dat er ten aanzien van hem moet worden gesproken van een “knik in de levensloop” die essentieel blijkt in de rechtspraak van de Raad.

4.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. De aanspraken van appellant op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als door hem gewenst dient beoordeeld te worden naar de datum waarop appellant de 17-jarige leeftijd heeft bereikt. Dit is 17 maart 1982. Omdat de bepalingen van de Wajong op die datum nog niet in werking waren, moet op grond van het bij de inwerkingtreding van de Wajong op

1 januari 1998 gegeven overgangsrecht, de beoordeling plaatsvinden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Aan het feit dat dit niet is gebeurd zullen geen gevolgen worden verbonden voor de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, aangezien beoordeling aan de hand van de bepalingen van de AAW niet wezenlijk anders is dan die welke op grond van de Wajong moet worden voltrokken. Het einde van de wachttijd ingevolge de AAW is gelegen op 17 maart 1983.

5.2. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft erop gewezen dat appellant is onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft in zijn rapport van 8 september 2010 verslag gedaan van het onderzoek. Hij heeft dossieronderzoek verricht, de in bezwaar overgelegde gegevens van de zogenoemde behandelend sector bestudeerd en gesproken met de moeder van appellant. In zijn rapport vermeldt de bezwaarverzekeringsarts dat bij appellant in 1996 de diagnose schizofrenie is gesteld. Van die aandoening is bekend, zo vermeldt de bezwaarverzekeringsarts, dat zij gepaard gaat met een aanloopperiode die meerdere jaren in beslag kan nemen. Bij appellant is vanaf de 17e verjaardag tot aan het tijdstip waarop de diagnose is gesteld een lange periode verstreken. Terzake van die periode, en over de toestand van appellant op 17-jarige en 18-jarige leeftijd heeft de bezwaarverzekeringsarts niet meer gegevens dan hetgeen de moeder van appellant heeft meegedeeld en de verklaring van de huisarts dat er destijds bizar gedrag was. Voorts vermeldt de bezwaarverzekeringsarts dat er tijdens de bedoelde aanloopperiode tot aan de diagnosestelling vaak nog wel een zeker arbeidsvermogen is.

5.3. Aan een verzekeringsgeneeskundig rapport, zoals het rapport dat is vermeld in 5.2 komt, indien dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, geen inconsistenties bevat en concludent is, een bijzondere waarde toe in die zin dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op zo’n rapport mag baseren.

Dit betekent echter geenszins dat een dergelijk rapport en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep onaantastbaar is. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht dan aan betrokkene om aan te voeren dat het desbetreffende rapport niet aan voormelde eisen voldoet, dan wel dat de in dat rapport gegeven beoordeling onjuist is. Voorts zal betrokkene zijn standpunten dienen te onderbouwen. Hierbij geldt dat een betrokkene de juistheid van de standpunten die betrekking hebben op de wijze van het tot stand komen van het rapport en de inconsistentie en (gebrek aan) concludentie van dat rapport zelf aannemelijk zal moeten maken door op gebreken ter zake te wijzen.

Voor het twijfel zaaien aan de juistheid van een gegeven medische beoordeling of het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling inhoudelijk onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk. De Raad wijst op zijn uitspraak van 9 maart 2011, LJN BS1122.

5.4. Het vermelde rapport van de bezwaarverzekeringsarts voldoet aan de rechtens daaraan te stellen eisen. In het onderhavige geval mocht de bezwaarverzekeringsarts zijn oordeel over de arbeidsongeschiktheid van appellant baseren op de medische gegevens vermeld in 5.2, die dezelfde zijn als waarop appellant zich beroept. Uit het in hoger beroep overgelegde keuringsrapport voor de militaire dienst is voorts niet af te leiden dat bij appellant op de datum van de keuring, 7 april 1983, in relevante mate belemmeringen voor het verrichten van arbeid waren, voortkomend uit ziekte of gebrek. Tegenover het rapport van de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant niet een rapport gesteld zoals is bedoeld in de voorlaatste volzin van 5.3. De verwijzing naar rechtspraak van de Raad waarin wordt gesproken van een “knik in de levensloop” leidt niet tot het door hem beoogde resultaat omdat in de gedingen waarnaar appellant bedoelt te verwijzen wél een rapport in de zojuist bedoelde zin voorhanden was. In het geding dat heeft geleid tot de uitspraak van 18 augustus 2006,

LJN AY6566, had betrokkene een dergelijk rapport overgelegd en in het geding dat aanleiding heeft gegeven voor de uitspraak van 8 juni 2007, LJN BA7135, lag een rapport voor van een door de rechtbank benoemde medisch deskundige.

5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat er geen aanleiding is een deskundige te benoemen. Voorts vloeit daaruit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van G.J van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) G.J. van Gendt

GdJ