Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
21-05-2013
Zaaknummer
12-280 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag op grond van artikel 95, eerste lid, van het ARAR. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen stellen dat appellant niet voldeed aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/280 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

1 december 2011, 11/960 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

Datum uitspraak 16 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Appellant is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.Westra, R. Jhingoer, ing. C.J. Slobbe en M. van Wijk.

Naar aanleiding van de zitting is de zaak geschorst en is appellant in de gelegenheid gesteld om alsnog verklaringen te overleggen.

Bij brief van 6 september 2012 heeft appellant een verklaring overgelegd. De minister heeft hierop bij brief van 21 maart 2013 een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellant is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.Westra, R. Jhingoer, ing. C.J. Slobbe en M. van Wijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft in september 2009 een sollicitatiegesprek gevoerd bij de Rijksgebouwendienst. Afgesproken is dat appellant per 1 november 2009 bij wijze van proef voor de duur van één jaar aangesteld zou worden in de functie van technisch adviseur/onderhoudsinspecteur voor 36 uur per week.

1.2. Bij besluit van 9 december 2009 is appellant per 1 november 2009 aangesteld in deze functie. Het besluit behelst een vaste aanstelling. In P-Direct is vermeld dat appellant is aangesteld in een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. Bij besluit van 20 mei 2010 heeft de minister het besluit van 9 december 2009 ingetrokken en vervangen door het besluit om appellant per 1 november 2009 bij wijze van proef voor de duur van één jaar aan te stellen.

1.3. Op 2 februari 2010 heeft een functioneringsgesprek plaatsgehad met appellant. Daarin is aan de orde gekomen dat het functioneren van appellant op enkele aspecten verbetering behoeft. Op 6 juli 2010 heeft weer een gesprek plaatsgehad. Daarin is een lichte verbetering vastgesteld, maar ook zijn nog enkele verbeterpunten genoemd. De leidinggevende heeft daarna in overleg met appellant bij verschillende clusterhoofden informatie opgevraagd over het functioneren van appellant. Vervolgens heeft de leidinggevende op 13 september 2010 mondeling aan appellant te kennen gegeven dat zijn proeftijdaanstelling niet zal worden omgezet in een aanstelling in vaste dienst.

1.4. Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft de minister appellant met ingang van 1 november 2010 eervol ontslag verleend op grond van artikel 95, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.5. Bij besluit van 25 maart 2011 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat hem bij besluit van 20 december 2009 een vaste aanstelling is verleend en dat dit ook de bedoeling is geweest van de minister. Met het besluit van 20 mei 2010 was hij niet bekend en daarmee is hij pas op 6 januari 2011, dus na het ontslag, bekend geworden. Appellant houdt dan ook vast aan zijn vaste aanstelling.

Appellant wordt in dit standpunt niet gevolgd. Uit het formulier van het arbeidsvoorwaardengesprek en uit P-Direct blijkt dat het nooit de bedoeling is geweest dat appellant een vaste aanstelling zou krijgen. Het besluit van 9 december 2009 was, ook voor appellant kenbaar, een apert onjuist besluit gelet op de in het arbeidsvoorwaardengesprek gemaakte afspraken. Appellant heeft dan ook niet uit kunnen gaan van een vaste aanstelling. Dit blijkt ook uit de verslagen van de gesprekken met appellant waarin, ook nadat appellant het besluit van 9 december 2009 had ontvangen, verschillende keren is gesproken over zijn functioneren in relatie tot het verkrijgen van een vaste aanstelling.

3.2. Maar ook indien er van wordt uitgegaan dat het onjuiste besluit van 9 december 2009 pas is hersteld met het besluit van 20 mei 2010, is er geen reden voor het oordeel dat niet van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef kon worden uitgegaan. De minister heeft niet aangetoond dat het besluit van 20 mei 2010 aan appellant is toegezonden. Om die reden dient er vanuit te worden gegaan dat het besluit pas op 6 januari 2011 aan appellant bekend is gemaakt. Hoewel appellant zich tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft gekeerd tegen het besluit, heeft hij pas bij het beroepschrift van 24 april 2011 schriftelijk bezwaar gemaakt. Dat is niet binnen de termijn van zes weken, zodat terecht is geoordeeld dat het bezwaar niet tijdig is gemaakt. Voorts zijn geen redenen gebleken om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het besluit van 20 mei 2010 is in rechte komen vast te staan, zodat ook daarom van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef dient te worden uitgegaan.

3.3. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat sprake was van het niet voortzetten van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef en heeft daarbij het juiste toetsingskader gehanteerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 2 september 2010, LJN BN6920) is de toetsing van een besluit tot niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband na afloop van de proeftijd terughoudend. Deze toetsing beperkt zich tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

3.4. Uit het verslag van het gesprek van 2 februari 2010 blijkt dat appellant zijn schrijfvaardigheid, adviesvaardigheid en rapportagevaardigheid verder dient te ontwikkelen. Ook moet appellant meer zichtbaar zijn in de organisatie en meer proactief handelen. Appellant heeft dit verslag voor akkoord getekend. Uit het verslag van het gesprek op 6 juli 2010 blijkt dat sprake is van een lichte verbetering van eerder vastgestelde ontwikkelpunten. Opgemerkt wordt dat appellant politiek sensitiever moet worden en dat appellant nog te weinig heeft laten zien van zijn kennis en kunde. Naar aanleiding van dit gesprek zijn afspraken gemaakt over het verdere verloop en is appellant gewezen op een mogelijk einde indien het functioneren niet zal verbeteren. Appellant heeft dit verslag niet voor akkoord getekend.

3.5. Naar aanleiding van de afspraken uit het gesprek van 6 juli 2010 heeft de leidinggevende van appellant in de periode van 6 juli 2010 tot 13 september 2010 enkele clusterhoofden benaderd om informatie te geven over het functioneren van appellant. Daaruit is een groot aantal punten naar voren gekomen, zoals het ontbreken van overtuigingskracht en overredingskracht, weinig proactief en niet slagvaardig optreden, het ontbreken van politieke sensitiviteit en een niet sterke mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid.

Op 13 september 2010 is met appellant gesproken en is hem meegedeeld dat geen vaste aanstelling zal worden verleend.

3.6. Uit de stukken blijkt dat appellant voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren. Daarin is appellant echter niet geslaagd. Uit de meerderheid van de door de clusterhoofden gegeven reacties blijkt immers dat appellant op diverse aspecten nog tekortschoot, terwijl deze aspecten volgens het verslag van de hoorzitting pijlers zijn voor het goed kunnen vervullen van de functie. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen stellen dat appellant niet voldeed aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen. De door appellant in hoger beroep overgelegde referentie kan daaraan niet afdoen.

4. Uit de vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD