Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
11-6529 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cumulatie van toeslag voor overwerkuren met toeslag voor verschuivingsuren? De registratie van de gewerkte uren in het bij de politie in gebruik zijnde geautomatiseerde systeem Worktime Registration heeft op zichzelf geen rechtsgevolg. De rechtbank heeft ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, aangezien appellant wel een, zij het gering, financieel belang heeft bij de uitkomst van het beroep. Artikel 27b, achtste lid, van het Bbp dient zo te worden uitgelegd dat, ingeval door een verschuiving in het vastgestelde rooster overuren, of meer overuren, ontstaan, er geen sprake kan zijn van het uitbetalen van zowel de toeslag voor de overuren alsook daarnaast nog apart van de toeslag voor de verschuivingsuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6529 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 september 2011, 11/2961 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, thans de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Overdam hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van Overdam. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Tanja. Na de behandeling ter zitting is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer en is het onderzoek heropend. Partijen hebben nog nadere stukken in het geding gebracht. Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen, heeft de Raad bepaald dat het verdere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was ten tijde van belang werkzaam in dienst van de politieregio Amsterdam-Amstelland. Op maandag 15 november 2010 is de dienst van appellant, die aanvankelijk was voorzien van 12.00 tot 21.30 uur, verschoven naar 10.30 tot 20.00 uur. Appellant heeft uiteindelijk op deze dag gewerkt tot 24.00 uur. Vanwege een niet genoten half uur pauze in verband met observeren was er in totaal sprake van 4,5 overuren. Aan appellant is ook voor deze uren de toeslag wegens overwerk uitbetaald.

2.2. Op 5 januari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het in het computerprogramma Worktime Registration opgenomen vergoedingen- en urenoverzicht met betrekking tot 15 november 2010. Op 31 januari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het definitief vastgestelde vergoedingen- en urenoverzicht. Deze overzichten worden aangeduid als de BVCM prints. Tevens heeft appellant hierbij bezwaar gemaakt inzake de blijkens de salarisspecificatie van januari 2011 betaalde overwerktoeslag over november 2010.

2.3. Bij het bestreden besluit van 16 mei 2011 heeft de korpschef de bezwaren voor zover betrekking hebbende op de BVCM prints niet ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het salarisbesluit van januari 2011 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit inzake de BVCM prints ongegrond en het beroep tegen het bestreden besluit inzake de salarisspecificatie van januari 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de registratie van de gewerkte uren in het geautomatiseerde systeem niet op rechtsgevolg is gericht. Met betrekking tot de salarisspecificatie heeft de rechtbank overwogen dat blijkens uitlatingen van appellant er sprake is van slechts een principiële kwestie en niet van enig financieel belang. Wegens het ontbreken van procesbelang heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit inzake de salarisspecificatie niet-ontvankelijk verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat de registratie van de gewerkte uren in het bij de politie in gebruik zijnde geautomatiseerde systeem Worktime Registration op zichzelf geen rechtsgevolg heeft. Het betreft hier slechts de registratie van feitelijke gegevens, die gebruikt kunnen worden voor het nemen van een besluit, bijvoorbeeld omtrent de omvang van een verloftegoed of de hoogte van de uit te betalen bezoldiging of toeslagen. Deze registratie op zichzelf kan niet worden aangemerkt als een besluit. De ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit inzake de BVCM prints houdt dus stand.

4.2.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij naast de hem uitbetaalde 4,5 overuren ook nog aanspraak kan maken op 1,5 verschuivingsuren, vanwege de verschuiving van de aanvangstijd van zijn werkrooster op 15 november 2010 van 12.00 uur naar 10.30 uur. Hij stelt dat de door hem aan het eind van de werkdag gemaakte overuren los moeten worden gezien van de verschuiving van de werktijd aan het begin van de werkdag. Om die reden stelt appellant wel een belang te hebben gehad bij het ingestelde beroep.

4.2.2. Weliswaar heeft appellant in beroep bij de rechtbank gesteld dat het hier voor hem gaat om een principiële kwestie, maar daardoor is, anders dan bij de behandeling van het hoger beroep, niet goed uit de verf gekomen dat appellant wel een, zij het gering, financieel belang heeft bij de uitkomst van het beroep. De rechtbank heeft het beroep in zoverre dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en de aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd.

4.2.3. Met betrekking tot het geschil dat partijen verdeeld houdt is de Raad van oordeel dat het gelijk ligt aan de zijde van de korpschef. Op grond van artikel 27 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) wordt aan de ambtenaar die overwerk verricht een vergoeding toegekend. Volgens het achtste lid van dit artikel bestaat de vergoeding in geld voor elk overwerkuur uit een bedrag ter grootte van het salaris per uur, vermeerderd met een toeslag van € 6,-. In artikel 27b van het Bbp is geregeld dat, indien er sprake is van een verschuiving in de vastgestelde roosters, een vergoeding wordt toegekend per gewerkt verschoven uur. Deze vergoeding is gelijk aan de toeslag in geld bij overwerk. Tenslotte bepaalt het achtste lid van artikel 27b van het Bbp dat de vergoeding voor een verschuiving niet kan samenvallen met de vergoeding voor overwerk, bedoeld in artikel 27.

4.2.4. De Raad onderschrijft de opvatting van de korpschef over de toepasselijkheid van artikel 27b, achtste lid, van het Bbp in dit geval. De Raad is van oordeel dat dit artikellid zo dient te worden uitgelegd dat, ingeval door een verschuiving in het vastgestelde rooster overuren, of meer overuren, ontstaan, er geen sprake kan zijn van het uitbetalen van zowel de toeslag voor de overuren alsook daarnaast nog apart van de toeslag voor de verschuivingsuren.

In het onderhavige geval heeft de verschuiving van de aanvang van de werktijd van appellant van 12.00 uur naar 10.30 uur meegebracht dat hij op de betreffende werkdag 1,5 uur meer heeft overgewerkt dan zonder die verschuiving het geval zou zijn geweest. In plaats van voor 3 overuren heeft appellant dan ook de overwerkvergoeding ontvangen voor 4,5 overuren. De korpschef heeft derhalve terecht gemeend dat het achtste lid van artikel 27b van het Bbp aan het toekennen van een toeslag voor verschuivingsuren op 15 november 2010 in de weg stond en dat appellant naast de vergoeding voor de 4,5 overuren (3 plus 1,5 vanwege de verschuiving) geen aanspraak kon maken op de toeslag voor de verschuiving van de aanvangstijd van het dagrooster.

4.2.5. Het hoger beroep slaagt dus in zoverre. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de salarisbetaling van januari 2011, ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin het beroep tegen het bestreden besluit

inzake de salarisspecificatie van januari 2011 niet-ontvankelijk is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 16 mei 2011 voor zover dat ziet op de

salarisspecificatie ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag

van € 944,-;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 227,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD