Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
11-4594 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegd verklaring rechtbank. Aangezien het verzoek van appellant niet kan leiden tot een besluit in de zin van de Awb, kan artikel 6:2 van de Awb er ook niet toe leiden dat het niet tijdig beslissen op dat verzoek gelijk gesteld wordt met zo’n besluit. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd geacht om kennis te nemen van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellant. Die onbevoegdheid impliceert tevens de onbevoegdheid ten aanzien van het beroep op de regeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb betreffende de dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1356
PJ 2013/125
TAR 2013/174
ABkort 2013/192
USZ 2013/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4594 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juli 2011, 11/256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (college)

Datum uitspraak: 16 mei 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.L.M. van de Laar.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Het college heeft enkele vragen van de Raad beantwoord en desgevraagd nadere stukken ingezonden. Appellant heeft daarop gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 februari 1975 werkzaam bij de voormalige gemeente Maasbracht. Vanaf 1996 werkt appellant op medische gronden 20 uur per week. Daarnaast ontvangt hij van het Algemeen burgerlijk Pensioenfonds - thans Stichting pensioenfonds ABP - (ABP) een invaliditeitspensioen (IP) gebaseerd op 20 uur per week. Vanaf de jaren 90 heeft appellant gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een deel van zijn verlofuren in te ruilen voor een eenmalige uitkering die aan een fiscaal vriendelijk doel kan worden besteed. Met ingang van 1 januari 2007 is de gemeente Maasbracht met de gemeenten Heel en Thorn samengevoegd tot de gemeente Maasgouw.

1.2. Het college heeft vanaf 1 januari 2007 de betalingen aan appellant in ruil voor een aantal verlofuren aangemerkt als pensioengevend inkomen en daarover onder andere pensioenpremie ingehouden. Als gevolg hiervan heeft het ABP deze inkomsten in mindering gebracht op zijn IP. Appellant heeft tegen de vaststelling door het ABP van het IP per 1 juli 2008 en per 1 juni 2009 beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep van het ABP (commissie). De commissie heeft dat beroep bij beslissing van 12 november 2010 ongegrond verklaard. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat de pensioentoezegging op grond van het pensioenreglement (PR) wordt gedaan door de werkgever en deel uitmaakt van het geheel van afspraken dat werkgever en werknemer op de arbeidsverhouding van toepassing laten zijn. Daarmee is de rol van het ABP in hoge mate lijdelijk. De werkgever bepaalt het pensioengevend inkomen binnen de in het PR bepaalde grenzen, levert daarvoor aan het ABP informatie aan en draagt de verschuldigde premie af. De bepalingen in het PR over het pensioengevend inkomen zijn kaderstellend en doen aan de verantwoordelijkheid van de werkgever niets af. Afgezien van de in artikel 3.1 van het PR opgesomde uitzonderingen, komen in beginsel alle inkomensbestanddelen in geld in aanmerking om deel uit te maken van het pensioengevend inkomen. Indien appellant van mening is dat de werkgever zijn verplichtingen jegens hem onvoldoende nakomt, dient hij zijn werkgever daarop in en buiten rechte aan te spreken. De commissie vond geen aanleiding het vastgestelde jaarinkomen over de jaren 2008 en 2009 voor onjuist te houden.

1.3. Bij brief van 17 november 2010 heeft appellant het college verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat over de jaren 2007 tot en met 2009 een foutieve opgave is gedaan van zijn pensioengevend inkomen. Die schade bedraagt volgens appellant € 5.925,32 wegens de korting op zijn IP en € 616,22 wegens ingehouden pensioenpremie. Omdat appellant van het college geen reactie kreeg op zijn verzoek om een schadevergoeding, heeft hij het college op 14 januari 2011 in gebreke gesteld als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een dwangsom gevorderd. Hierop heeft het college niet gereageerd. Op 9 februari 2011 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om over dit beroep te oordelen. De rechtbank overwoog onder meer dat, indien het verzoek van appellant niet is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren om van het beroep kennis te nemen en dat in dat geval ook het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb toepassing mist. Volgens vaste rechtspraak dient, teneinde een geschil over een beslissing op een verzoek tot schadevergoeding aan de bestuursrechter te kunnen voorleggen, sprake te zijn van zowel formele als materiële connexiteit. Dat betekent dat er een schadeveroorzakend besluit of daarmee gelijkgestelde handeling moet kunnen worden aangewezen, waartegen ook beroep bij de bestuursrechter openstond. De beslissing over het op het salaris in te houden pensioenpremie en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van het college wat tot het pensioengevend inkomen gerekend dient te worden, zijn gelet op de vaste rechtspraak over de pensioenpremie van het ABP privaatrechtelijk van aard en geen Awb-besluiten. Daarom kan de beslissing op het verzoek om schadevergoeding als gevolg van een beslissing over in te houden pensioenpremie ook niet worden aangemerkt als een besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter openstaat. Artikel 6:2, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 6:12 en artikel 6:20 van de Awb missen bijgevolg eveneens toepassing, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Volgens appellant staat vast dat de uitruil van verlof niet pensioengevend is. Omdat het college willens en wetens het tegendeel heeft verklaard tegenover het ABP, had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van schade, en het college tevens moeten veroordelen tot vergoeding van schade wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met ingang van 1 januari 1996 is het Algemeen burgerlijk pensioenfonds geprivatiseerd. Ter uitvoering van de Wet privatisering ABP (WPA) is de Stichting pensioenfonds ABP opgericht.

4.2. De beslissing van het college om het bedrag dat appellant heeft ontvangen in ruil voor zijn verlofuren als pensioengevend aan te merken en hierover pensioenpremie in te houden, heeft betrekking op de pensioenaanspraken van appellant als overheidswerknemer in de zin van de WPA, alsmede de daarmee samenhangende verplichtingen.

4.3. De pensioenen van het overheidspersoneel zijn sinds 1 januari 1996 geregeld in een privaatrechtelijk pensioenreglement, het PR. De inhoud van het PR wordt bepaald door werkgevers en werknemers binnen de overheidssector. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de WPA, voor zover hier van belang, worden de aanspraken en verplichtingen van overheidswerknemers neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. In het vijfde lid van artikel 4 is bepaald dat de overheidswerkgevers en de overheidswerknemers zijn gebonden aan die overeenkomst.

4.4. Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 15 april 2004, LJN AO8396) is de uitvoering van de op basis van artikel 4 van de WPA gesloten pensioenovereenkomst privaatrechtelijk van aard. De beslissing van het college om het door de uitruil verkregen bedrag als pensioengevend te beschouwen en hierover pensioenpremie in te houden, heeft daarom een privaatrechtelijk karakter. Gezien de in artikel 1:3 van de Awb gegeven omschrijvingen van het begrip besluit en beschikking is die beslissing van het college geen besluit in de zin van de Awb. Als uitvloeisel hiervan kan, wegens het ontbreken van de vereiste materiële connexiteit, ook een beslissing op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een dergelijke beslissing niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt.

4.5. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen. Aangezien het verzoek van appellant niet kan leiden tot een besluit in de zin van de Awb, kan artikel 6:2 van de Awb er ook niet toe leiden dat het niet tijdig beslissen op dat verzoek gelijk gesteld wordt met zo’n besluit.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft geacht om kennis te nemen van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellant. Die onbevoegdheid impliceert tevens de onbevoegdheid ten aanzien van het beroep op de regeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb betreffende de dwangsom bij niet tijdig beslissen.

4.7. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman