Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
11-5300 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvullende uitkering op de ZW-uitkering krachtens de Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering (BWW). Appellant is ontslagen op grond van het bepaalde in artikel 1004 van het Ambtenarenreglement Amsterdam, inhoudende tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 12, eerste lid, van de BWW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5300 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 augustus 2011, 10/3167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 16 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.M. Gersjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. Op verzoek van appellant is [naam getuige] als getuige gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot 1 december 2007 werkzaam geweest als brug- en sluiswachter bij de dienst Binnenwaterbeheer van de gemeente Amsterdam. Per die datum is appellant ontslagen, primair op grond van het bepaalde in artikel 1004 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), inhoudende tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag. Subsidiair is aan het ontslag artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA ten grondslag gelegd. De Raad heeft bij uitspraak van 8 december 2011 de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010 bevestigd, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat het ontslag van appellant op de primaire ontslaggrond stand houdt en het beroep ongegrond heeft verklaard.

1.2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft appellant van 1 december 2007 tot 27 november 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Aansluitend is appellant een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij besluiten van 24 juni 2010 heeft het college (alsnog) afwijzend beslist op appellants verzoek hem met ingang van 1 december 2007 een aanvullende uitkering toe te kennen op grond van de Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering (BWW). Bij besluit van 4 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college die afwijzing gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op grond van artikel 12, eerste lid, van de BWW heeft appellant recht op een aanvulling op zijn Ziektewetuitkering, indien hij, als hij niet ziek was geweest, recht zou hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 2 van de BWW. Hiervoor is vereist dat a. recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) en b. de werkloosheid een gevolg is van een ontslag op één van de in deze bepaling genoemde artikelen van het ARA.

3.2. Appellant bestrijdt niet dat artikel 1004 van het ARA niet wordt genoemd onder b. Dit betekent dat appellant op grond van artikel 2 BWW geen aanspraak zou hebben gehad op een aanvulling op zijn WW-uitkering. Hem komt derhalve evenmin een aanvulling toe op de Ziektewetuitkering. Dat het UWV de werkloosheid van appellant als niet verwijtbaar heeft aangemerkt noch de omstandigheid dat er in de in betreffende periode sprake was van materiële arbeidsongeschiktheid doet hieraan af.

3.3. Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd, is voornamelijk gericht tegen het ontslagbesluit. Volgens appellant zijn daarbij niet alle van belang zijnde omstandigheden meegewogen, hetgeen tot voor hem evident nadelige gevolgen heeft geleid. Voor de beoordeling van de aanspraak van appellant op een aanvullende uitkering is dat ontslagbesluit en de uitspraak van de Raad van 8 december 2011 echter een gegeven. Dit komt slechts anders te liggen, indien het inmiddels door appellant ingediende verzoek om herziening van die uitspraak wordt ingewilligd. In dat geval kan appellant het college verzoeken om terug te komen van het bestreden besluit.

3.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD