Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
12-1046 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv meegedeeld dat de informatie van i-Psy van 13 maart 2013 niet meer aan de bezwaarverzekeringsarts is voorgelegd omdat de daarin weergegeven diagnose in essentie niet afwijkt van de al eerder bij de verzekeringsartsen bekende informatie. Deze inzichtelijke motivering wordt overtuigend geacht en er wordt geen aanleiding gezien deze niet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1046 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ? s-Gravenhage van

11 januari 2012, 11/6264 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 15 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Th. Scholtus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster in de tuinbouw via een uitzendbureau toen zij zich per 23 augustus 2010 heeft ziek gemeld met pijnklachten in de buik. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellante heeft tweemaal het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, voor het laatst op 12 mei 2010. Verzekeringsarts G.W. Alibahadoer is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 16 mei 2011 weer geschikt is te achten voor haar werk als productiemedewerkster. Bij besluit van 12 mei 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 16 mei 2011 beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts R. Blanker, heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2011, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat volledige objectieve informatie over de belasting in haar functie van productiemedewerkster ontbreekt. In dat licht heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming miskend dat bij gebreke aan dergelijke informatie, niet toetsbaar is of appellante terecht geschikt is geacht voor haar laatst verrichte werk. Het Uwv heeft vervolgens niet inzichtelijk gemaakt waarom het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts afwijkt van het oordeel van de verzekeringsarts, wat betreft het aanwezig achten van medische beperkingen. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts volgens appellante zonder deugdelijke grond geconcludeerd dat de schouderklachten weinig betekenis hebben voor de belastbaarheid van appellante, nu uit het dossier niet blijkt of en in hoeverre het repetitief boven schouderhoogte werken voorkomt in haar functie. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport van verzekeringsarts M.M.F. Timmerhuis van 1 mei 2012 en informatie van haar behandelend psycholoog van 15 maart 2013 overgelegd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van productiemedewerkster in de tuinbouw voor 38 uur in de week. Bij de beoordeling van de geschiktheid van appellante voor dit werk, beschikten de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de “Vragenlijst ziekte en re-integratie”. Hierin is door appellante een beschrijving gegeven van de belasting in dit werk, waaruit onder meer blijkt dat bovenhands werken matig voorkwam. De veelvoorkomende belasting in deze werkzaamheden kwam voor op de aspecten lopen, staan, tillen, bukken en draaien. Met deze beschrijving hadden de beide verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van het laatst verrichte werk van appellante. Dat het Uwv vergeefs heeft getracht de voormalig werkgever van appellante te traceren om eventuele aanvullende informatie te verkrijgen betreffende de exacte werkzaamheden van appellante, doet aan het vorenstaande niet af.

4.3. Er bestaat voorts geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht en was daarbij op de hoogte van de tumor in haar hoofd, de lage rugklachten, de polsklachten en de spanningsklachten. Ook beschikte de verzekeringsarts over de informatie van de huisarts van appellante van 16 december 2010. Bij het onderzoek aan de polsen en handen werden geen functiebeperkingen geconstateerd. Daarbij heeft de verzekeringsarts opgemerkt dat appellante zonder ondersteuning aan haar polsen haar werk heeft uitgevoerd en voor deze klachten ook was uitbehandeld. Bij het oriënterend psychisch onderzoek werden geen aanwijzingen gevonden voor een actuele psychopathologie. De bevindingen uit dit onderzoek heeft de verzekeringsarts afgezet tegen de belasting in haar laatst verrichte werk, waarop de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante hiervoor geschikt moet worden geacht.

4.4. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Blanker dossierstudie verricht en appellante op het spreekuur van 22 juni 2011 onderzocht. In het rapport van 22 juni 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat de hoofdpijn al langer bestaat en een eventuele toename niet te koppelen is aan toegenomen hypofyseproblematiek maar hooguit past bij de reactieve spanningsklachten, waarmee de laatst verrichte arbeid volledig verenigbaar is. Nu de onderzoeksbevindingen geenszins wezen op radiculaire prikkeling is sprake van aspecifieke lage rugklachten, waarvoor alleen een contra-indicatie geldt voor zeer zware rugbelastende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarop opgemerkt dat de klachten van polsen, hoofdpijn en rugklachten, alsook de daarbovenop gekomen (reactieve) psychische klachten, alle onderdeel zijn geweest van de weging, waarbij ook de arbeidsbelasting is betrokken.

4.5. De in beroep overgelegde medische informatie van de huisarts van appellante, de orthopedisch chirurg en de behandelend psycholoog, heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gegeven op te merken dat de keelklachten (overigens daterend van na de datum in geding) geen betekenis hebben in termen van de belastbaarheid van appellante voor haar arbeid. De bevindingen van de orthopedisch chirurg betreffende de schouderklachten betekenen slechts dat het bewegingspatroon van het schouderblad (bij repetitief boven schouderhoogte actief zijn) predisponeert tot het krijgen van schouderpathologie. Deze pathologie is juist niet door de orthopedisch chirurg gediagnosticeerd. Uit de informatie van de psycholoog blijkt ten slotte dat het lichte reactieve problematiek betreft. Deze klachten leveren, evenals de fysieke klachten, dan ook geen problemen op voor de eenvoudige en overzichtelijke werkzaamheden in de laatst verrichte arbeid van appellante.

4.6. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 5 juni 2012 in reactie op het rapport van verzekeringsarts Timmerhuis te kennen heeft gegeven dat appellante door het Uwv meerdere malen is onderzocht, terwijl de stellingen van Timmerhuis een concrete medische basis ontberen, zeker nu zij appellante niet zelf heeft onderzocht. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv meegedeeld dat de informatie van i-Psy van 13 maart 2013 niet meer aan de bezwaarverzekeringsarts is voorgelegd omdat de daarin weergegeven diagnose in essentie niet afwijkt van de al eerder bij de verzekeringsartsen bekende informatie. Deze inzichtelijke motivering wordt overtuigend geacht en er wordt geen aanleiding gezien deze niet te volgen. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 16 mei 2011 heeft beëindigd.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) H.J. Dekker

NW