Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
12-1686 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering. Geen reden om te twijfelen aan de medische bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant. Uit het arbeidskundige rapport blijkt dat aan appellants arbeid geen aspecten verbonden waren die de beschreven belastbaarheid van appellant te boven gingen. Aldus is op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1686 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 februari 2012, 11/4243 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 15 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.M. de Haan-van de Laak, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz

OVERWEGINGEN

1. Appellant is van begin 1991 tot eind februari 2006 werkzaam geweest als manager van een supermarkt. Hij heeft zich laatstelijk op 28 januari 2010, toen hij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2. Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 10 maart 2010 beƫindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 8 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 maart 2010 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de betrokken verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door appellant gestelde vermoeidheidsklachten. De door appellant ingebrachte stukken - een neuropsychologisch rapport van 22 augustus 2011 en een rapport van een bedrijfsarts van 4 september 2011 - hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht nu deze stukken niet zien op de datum in geding en appellants klachten na maart 2010 kennelijk zijn toegenomen. Ook de beroepsgrond dat een urenbeperking zou moeten gelden heeft de rechtbank niet gehonoreerd nu appellant hiervoor geen medische onderbouwing heeft gegeven. Tot slot heeft de rechtbank in haar beschouwing betrokken dat de arbeid van appellant, zoals beschreven in arbeidskundige rapporten van 19 januari 2011 en 1 juli 2011, fysiek niet zwaar was.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt, dat zijn vermoeidheidsklachten van dien aard waren dat hij niet in staat was zijn werk te verrichten, althans niet gedurende acht uur per dag, niet met medische gegevens onderbouwd. Er is dan ook geen reden om te twijfelen aan de medische bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapportage van 20 mei 2011 aangegeven dat appellant als gevolg van een chronisch vermoeidheidssyndroom fysieke beperkingen heeft, maar dat hij in staat is om fysiek niet te zware arbeid te verrichten. Uit het arbeidskundige rapport van 1 juli 2011 blijkt dat aan appellants arbeid geen aspecten verbonden waren die de beschreven belastbaarheid van appellant te boven gingen. Aldus is op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet ongeschikt was voor zijn werk. Hetgeen appellant heeft aangevoerd is dan ook geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven.

5.2. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

JvC