Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
10/4039 ZW + 13/186 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet (langer) arbeidsongeschikt als gevolg van zwangerschap of bevalling. Ter uitvoering van de tussenuitspraak (LJN BW5143) is een gelijkluidend besluit genomen, voorzien van een nadere motivering. Appellant heeft met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 21 maart 2013 zijn beslissing om de ZW-uitkering van betrokkene met ingang van 15 juni 2009 te beëindigen alsnog van een voldoende motivering heeft voorzien. Daaruit volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 geheel in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4039 ZW, 13/186 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 juli 2010, 09/3648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 15 mei 2013.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 2 mei 2012 (LJN BW5143) een tussenuitspraak gedaan.

Appellant heeft een ter uitvoering van de tussenuitspraak genomen besluit van

28 december 2012 ingezonden en de aan dit besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage en een nadere toelichting van zijn bezwaarverzekeringsarts.

Namens betrokkene heeft mr. L.Chr. Kranendonk, advocaat, met inzending van een medisch rapport zijn zienswijze gegeven over de wijze waarop het appellant het gebrek heeft gesteld.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Raad het oordeel van de rechtbank onderschreven dat het besluit van 9 juli 2009 (bestreden besluit 1), waarbij appellant zijn besluit van 10 juni 2009 tot beëindiging van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van betrokkene heeft gehandhaafd, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering mist, omdat daaraan geen voldoende uitgebreid verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag heeft gelegen en om die reden moest worden vernietigd. Omdat een bevestiging van de aangevallen uitspraak niet zou bijdragen aan een finale beslechting van het geschil heeft de Raad bij de tussenuitspraak aan appellant opgedragen het gebrek in het besluit van 9 juli 2009 te herstellen door het nemen van een nieuw besluit.

2. Bij het besluit van 28 december 2012 (bestreden besluit 2) heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat betrokkene per 15 juni 2009 niet (langer) arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling. Voorafgaand aan de totstandkoming van dit besluit heeft een bezwaarverzekeringsarts inlichtingen gevraagd aan de behandelaars van betrokkene. Aan het besluit ligt een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 8 augustus 2012 ten grondslag. In dit rapport is uiteengezet dat de posttraumatische stresstoornis (PTSS) noch de depressie, die na de bevalling is ontstaan, in een oorzakelijk verband staat tot de doorgemaakte zwangerschap en bevalling. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer erop gewezen dat het overmatige controlegedrag van betrokkene niets te maken heeft met een door zwangerschap gewijzigde hormonale toestand, maar dat het “life-event” van de geboorte van de dochter van betrokkene de psychische klachten heeft geluxeerd.

3. Met de inzending van een rapport van haar huisarts van 11 januari 2013 heeft betrokkene als haar opvatting gegeven dat de bevalling haar oude wonden heeft doen opengaan, niet alleen door het hebben van een kind en het herbeleven van kinderlijke ervaringen maar ook door hormoonwisselingen tijdens en na de bevalling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Omdat appellant ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar heeft ingezonden, volgt uit overweging 4.5 van die tussenuitspraak dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, behoudens voor zover daarbij aan appellant is opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene.

4.2. Omdat met het bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar van betrokkene, wordt haar beroep op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

4.3. Op de informatieverzoeken van de bezwaarverzekeringsartsen aan de behandelende psychologen en psychiater is slechts geantwoord door de psychotherapeut/GZ-psycholoog M.A. van Helsdingen. In haar brief van 20 juli 2012 heeft Van Helsdingen te kennen gegeven dat zij als behandelaar niet in staat is om te antwoorden op de door de bezwaarverzekeringsarts gestelde vraag of een jaar na de bevalling nog sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de zwangerschap en bevalling van betrokkene en haar klachten. De twee andere in 4.4 van de tussenuitspraak genoemde psychologen en de daar eveneens genoemde psychiater hebben op de brieven van appellant niet gereageerd.

4.4. Als bijlagen bij de brief van Van Helsdingen van 20 juli 2012 heeft de bezwaarverzekeringarts wel rapporten ontvangen van B. Postmus, psycholoog i.o. tot GZ-psycholoog, van 9 oktober 2009 en 13 november 2009. Uit deze rapporten blijkt dat betrokkene van 6 augustus 2008 tot en met 8 oktober 2009 bij Postmus in behandeling is geweest in verband met toenemende depressieve klachten en klachten van herbeleving van trauma uit de kindertijd. Een zogenoemde EMDR-behandeling is niet aangeslagen. Omdat intensievere hulp was geïndiceerd, heeft Postmus de behandeling in oktober 2009 beëindigd en is betrokkene verwezen naar het Zorgprogramma Angst. Bij de beëindiging van haar behandeling heeft Postmus als diagnosen genoteerd: een depressieve stoornis, eenmalig, matig, met begin post partum en een PTSS met een verlaat begin.

4.5. Appellant kan worden gevolgd in de met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 8 augustus 2012 onderbouwde opvatting dat de verlate PTSS niet in een oorzakelijk verband staat tot de zwangerschap en bevalling van betrokkene, zodat er, voor zover sprake is van uit dit ziektebeeld voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, geen grond is voor voortzetting van uitkering op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW.

4.6. Uit de rapporten van Postmus blijkt dat in overweging 4.4 van de tussenuitspraak terecht in twijfel is getrokken of op en na 15 juni 2009, zoals de bezwaarverzekeringsarts na haar onderzoek van betrokkene op 7 juli 2009 noteerde, bij betrokkene niet langer sprake was van een “status na depressieve periode”. In verband met een depressie werd betrokkene tot en met 8 oktober 2009 door Postmus behandeld en bij de verwijzing van betrokkene door Postmus in oktober 2009 naar het Zorgprogramma Angst was de depressie niet in remissie. Uitgaande van een op 15 juni 2009 voortdurende depressie ligt ter beantwoording de vraag voor of die depressie op die datum (nog steeds) in een oorzakelijk verband tot de zwangerschap en bevalling van betrokkene staat.

4.7. In de aan het bestreden besluit 2 ten grondslag liggende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 8 augustus 2012 is met betrekking tot de door Postmus gediagnosticeerde depressieve stoornis slechts opgemerkt dat die ook volgens Postmus na de bevalling is ontstaan. Voor de door appellant betrokken stelling dat de oorzaak van de op

15 juni 2009 voortdurende depressie niet in de zwangerschap en/of bevalling van betrokkene is gelegen, is dit geen toereikende motivering. Temeer niet, omdat na een onderzoek door een verzekeringsarts op 4 maart 2009 door appellant nog tot voorzetting van de uitkering op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW is besloten. Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts waren de bekkenklachten en rugklachten, die betrokkene bij haar ziekmelding op 11 september 2008 naar voren had gebracht, toen geweken, maar was nog immer sprake van psychische klachten als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling.

4.8. Uit 4.7 volgt dat met de rapportage van 8 augustus 2012 bestreden besluit 2 onvoldoende is onderbouwd en dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. De Raad zal beoordelen of een voldoende onderbouwing van de opvatting van appellant wel is verkregen met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 21 maart 2013 en er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

4.9. Met de rapportage van 21 maart 2013 is nader toegelicht dat een postnatale depressie niet noodzakelijkerwijs in oorzakelijk verband staat tot de doorgemaakte zwangerschap en bevalling. Een depressie wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts multifactorieel bepaald. Zij heeft verder erop gewezen dat in de, ook in de tussenuitspraak aangehaalde, Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” tot uitgangspunt is genomen, dat het bij arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate voorkomt uit zwangerschap en/of bevalling gaat om arbeidsongeschiktheid die causaal is te relateren aan de bij zwangerschap en/of bevalling betrokken organen dan wel de hormonale veranderingen die daarbij optreden. Het enkele feit dat een depressie na de bevalling is ontstaan is onvoldoende om een rechtstreeks verband aan te nemen.

4.10. Appellant heeft terecht erop gewezen dat Postmus in haar rapport van 9 oktober 2009 geen depressieve stoornis heeft beschreven die als gevolg van de bevalling van betrokkene is ontstaan, maar alleen het ontstaansmoment van die stoornis heeft gemarkeerd na de bevalling. Bij de intake in augustus 2008 zijn de depressieve klachten van betrokkene door Postmus geduid als een eerste reactie op een tegenvallende zwangerschap en een tegenvallende eerste periode na de bevalling. Nadat was gestart met ondersteunende gesprekken, zijn de depressieve klachten van betrokkene toegenomen en is volgens Postmus gaandeweg duidelijk geworden dat bij betrokkene ook sprake is van een PTSS met toenemende klachten.

4.11. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is een belangrijk argument dat tegen een causale relatie van depressie en zwangerschap en/of bevalling bij betrokkene pleit, dat haar klachten in de periode na haar bevalling niet zijn verminderd, maar juist zijn toegenomen. Dat sprake is van persisterende klachten is feitelijk het bewijs dat die klachten door andere factoren worden onderhouden. Mede in ogenschouw nemend hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 8 augustus 2012 heeft opgemerkt over het voortduren van psychische klachten na het herstel van het hormonale evenwicht, heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigend uiteengezet dat een oorzakelijk verband tussen de depressie van betrokkene en haar zwangerschap en bevalling op 15 juni 2009 niet langer kan worden aangenomen. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in haar opvatting dat de diagnose postnatale depressie niet - en zeker niet bij voortduring van die depressie vele maanden na de bevalling - zonder meer het vereiste rechtstreekse verband met de bevalling impliceert. De informatie die is verkregen van Postmus, in combinatie met de in de tussenuitspraak genoemde informatie van de bedrijfsarts en het door betrokkene ingebrachte rapport van haar huisarts, bieden onvoldoende houvast voor de andersluidende opvatting van betrokkene.

4.12. De conclusie is dat appellant met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 21 maart 2013 zijn beslissing om de ZW-uitkering van betrokkene met ingang van 15 juni 2009 te beëindigen alsnog van een voldoende motivering heeft voorzien. Daaruit volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 geheel in stand kunnen blijven.

5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene. De kosten van rechtsbijstand in hoger beroep worden vastgesteld op € 708,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij aan appellant is opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 28 december 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

-veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 708,-.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M. Greebe en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

JvC