Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
11/5032 WWB + 11/5073 WWB + 11/5925 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. diverse periodes. Verzwegen inkomsten. Niet tijdig overleggen van gevraagde bankafschriften. Verzwegen bankrekeningen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5032 WWB, 11/5073 WWB, 11/5925 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juli 2011, 10/6903 en 11/4139 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft een nader besluit van 2 september 2011 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.L.M. Klinkhamer en [naam zoon], de zoon van betrokkene. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic en V.M.M. Albers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 28 augustus 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat betrokkene vanuit zijn woning via marktplaats.nl elektrische apparaten verkoopt, heeft de sociale recherche Leidschendam-Voorburg (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek en onderzoek op internet gedaan, betrokkene op 17 november 2009 gehoord en aansluitend een huisbezoek afgelegd. Betrokkene heeft verklaard dat hij als hobby draaitafels en elementen koopt en verkoopt via marktplaats.nl. Voorts heeft betrokkene erkend dat hij naast de bij appellant bekende Rabobankrekening met nummer [nummer] (Raborekening 1) nog een tweetal andere bankrekeningen heeft, te weten een Rabobankrekening met nummer [nummer] (Raborekening 2) en een ABN AMRO-spaarrekening met nummer [nummer] (ABN AMRO-rekening), waarvan hij nooit melding heeft gemaakt bij appellant. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 25 november 2009.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om nader onderzoek te doen naar de verzwegen bankrekeningen en daartoe bij betrokkene bankafschriften op te vragen. Omdat betrokkene niet tijdig alle gevraagde afschriften had overgelegd, heeft appellant het recht op bijstand van betrokkene bij besluit van 30 november 2009 met ingang van 17 november 2009 opgeschort en betrokkene nog twee maal de gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen.

1.4. Bij besluit van 21 december 2009 heeft appellant de bijstand van betrokkene ingetrokken met ingang van 28 augustus 1997 op de grond dat betrokkene niet alle gevraagde bankafschriften heeft overgelegd met als gevolg dat appellant het recht op bijstand niet kan vaststellen.

1.5. Bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2009 deels gegrond verklaard en aan de intrekking/herziening met ingang van 28 augustus 1997 tot 17 september 2009 de artikelen 17 en 54, derde lid, onder a, van de WWB en aan de intrekking van de bijstand met ingang van 17 september 2009 de artikelen 54, eerste lid, en vierde lid, van de WWB ten grondslag gelegd. Tijdens de bezwaarprocedure heeft betrokkene nog grotendeels de gevraagde bankafschriften ingeleverd, maar kwam tevens het bestaan van een ING-rekening met nummer [nummer] (ING-rekening) op naam van betrokkene naar voren, waarvan betrokkene nooit melding had gemaakt bij appellant. Bij bestreden besluit 1 heeft appellant vijf perioden onderscheiden.

1. De periode van 28 augustus 1997 tot en met 31 december 2001 (periode 1): appellant trekt de bijstand van betrokkene in op de grond dat het vermogen van betrokkene de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

2. De periode van 1 januari 2002 tot en met 28 februari 2003 (periode 2): appellant trekt de bijstand van betrokkene in op de grond dat als gevolg van het niet overleggen van de benodigde gegevens het college het recht op bijstand niet kan vaststellen.

3. De periode van 1 maart 2003 tot en met 30 september 2008 (periode 3): appellant trekt de bijstand van betrokkene in op de grond dat deze beschikte over inkomsten die uitgingen boven de voor hem geldende bijstandsnorm.

4. De periode van 1 oktober 2008 tot en met 16 november 2009 (periode 4): appellant trekt de bijstand van betrokkene in voor zover de inkomsten van betrokkene de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijden.

5. De periode vanaf 17 november 2009: appellant trekt de bijstand van betrokkene in op de grond dat betrokkene de gevraagde bankafschriften niet (tijdig) heeft ingeleverd.

1.6. Bij besluit van 5 januari 2011 heeft appellant de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 28 augustus 1997 tot en met 16 november 2009 tot een bedrag van € 141.018,99 van betrokkene teruggevorderd.

1.7. Appellant heeft bij besluit van 28 april 2011 (bestreden besluit 2), voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2011 deels gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag verlaagd met € 1.772,60 omdat aan de terugvordering van verleende langdurigheidstoeslag en bijzondere bijstand geen intrekkingsbesluit ten grondslag lag. Appellant heeft de bezwaarkosten aan betrokkene vergoed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen over griffierecht en proceskosten, de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant bevoegd was de bijstand over periode 1 in te trekken, maar dat de terugvordering over deze periode aanzienlijk dient te worden gematigd. De ING-rekening behoorde feitelijk toe aan de zoon van betrokkene en betrokkene kon daarover zelf niet beschikken. Voor de vaststelling van het recht op bijstand dient de ING-rekening buiten beschouwing te worden gelaten. Gelet hierop zou betrokkene, indien hij de inlichtingenverplichting was nagekomen, over slechts een relatief korte periode geen recht op bijstand hebben. Met betrekking tot de perioden 2 en 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat de ING-rekening toebehoorde aan zijn zoon, zodat deze rekening buiten beschouwing moet blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand. Over deze perioden heeft appellant ten onrechte de bijstand ingetrokken en de kosten van bijstand teruggevorderd. Appellant was wel bevoegd de bijstand van betrokkene over periode 4 te herzien en de kosten van bijstand deels terug te vorderen. Betrokkene heeft geen deugdelijke administratie bijgehouden van zijn verkopen via marktplaats.nl, zodat appellant terecht geen rekening heeft gehouden met de door betrokkene gestelde uitgaven. Tussen partijen is niet langer in geschil dat appellant bevoegd is om de bijstand van betrokkene over periode 5 in te trekken.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank over de perioden 1 tot en met 3 bestreden. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat betrokkene in periode 1 kon beschikken over de ING-rekening. In periode 1 is het saldo van deze rekening niet bekend, zodat appellant de vermogensoverschrijding, die minimaal € 447,02 bedraagt, niet kan vaststellen. Ook met betrekking tot periode 2 voert appellant aan dat betrokkene kon beschikken over de tegoeden van de op zijn naam staande ING-rekening en dat de bankafschriften van deze rekening ontbreken, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat alleen zijn zoon de beschikking had over de ING-rekening. Omdat betrokkene volgens appellant wel kon beschikken over de tegoeden op de ING-rekening, waaronder het salaris van de zoon, had hij in periode 3 een inkomen dat hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm, zodat hij geen recht had op bijstand. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een veroordeling tot vergoeding van de bezwaarkosten heeft uitgesproken, aangezien appellant deze al heeft vergoed bij bestreden besluit 2. Bij bestreden besluit 1 gaat het niet om vernietiging van een besluit als gevolg van onrechtmatig handelen van appellant. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 1,5 heeft gehanteerd.

3.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 2 september 2011 (nader besluit) de bijstand van betrokkene over periode 1 ingetrokken en de terugvordering beperkt tot een bedrag van € 549,03 bruto. Over periode 2 ziet appellant af van intrekking en terugvordering. Over periode 3 heeft appellant de bijstand herzien op de grond dat sprake was van kasstortingen met onbekende herkomst en dat betrokkene inkomsten had uit verkopen via marktplaats.nl en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 17.023,47 van betrokkene teruggevorderd. De intrekking/herziening en terugvordering over de perioden 4 en 5 blijft ongewijzigd. De Raad zal het nadere besluit op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling in het hoger beroep betrekken.

3.3. Betrokkene kan zich niet verenigen met het nadere besluit voor zover dat ziet op periode 3. Daartoe heeft betrokkene aangevoerd, zoals ter zitting van de Raad bevestigd, dat appellant ten onrechte alsnog € 17.023,47 van hem heeft teruggevorderd en bij zijn beoordeling geen rekening heeft gehouden met door betrokkene gemaakte onkosten in verband met de inkoop van goederen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Periode 1

Vaststaat dat betrokkene in deze periode op de op zijn naam staande ABN AMRO-rekening een saldo had dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed. Betrokkene heeft van deze rekening geen melding gemaakt bij appellant, waardoor betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Niet in geschil is dat de bijstand over deze periode terecht is ingetrokken. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan, tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem verstrekte voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. Daarin is betrokkene niet geslaagd. Niet in geschil is dat betrokkene al voor 1997, dus in elk geval in periode 1, beschikte over de ING-rekening zonder dat hij hiervan melding heeft gemaakt bij appellant. Van deze rekening zijn geen afschriften meer voorhanden. Dit betekent dat appellant niet kan vaststellen of betrokkene over een gedeelte van periode 1 nog recht zou hebben op bijstand als hij de ING-rekening wel had gemeld. Dat betrokkene niet meer over bankafschriften over periode 1 kan beschikken moet voor zijn rekening en risico blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep van appellant voor wat betreft deze periode slaagt.

4.2. Periode 2

Ook in deze periode beschikte betrokkene over de ING-rekening zonder dat hij daarvan melding had gemaakt bij het college. In deze periode beschikte betrokkene evenmin over bankafschriften van deze rekening. Dit betekent dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat appellant het recht op bijstand niet kan vaststellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep van appellant voor zover gericht tegen deze periode evenzeer slaagt.

4.3. Periode 3

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 27 september 2011, LJN BT6097) moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid van een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Met ingang van 1 februari 2002 is de zoon van betrokkene in dienst getreden bij Carpet Land. Vanaf dat moment heeft de zoon feitelijk de beschikking gekregen over de ING-rekening. De zoon heeft daarover ter zitting van de rechtbank uitgebreid verklaard. Over de herkomst van het maandelijks op de ING-rekening gestorte salaris bestaat geen twijfel. Dit is het salaris van de zoon, verdiend bij Carpet Land. Evenmin bestaat twijfel over het feit dat de vaste lasten en huur/hypotheek van de zoon werden betaald van dat salaris. Verder is niet in concrete zin gebleken dat betrokkene het salaris deels heeft aangewend voor zijn eigen levensonderhoud. Onder deze specifieke omstandigheden moet worden voorbijgegaan aan het uitgangspunt dat onder beschikken reeds moet worden verstaan de “mogelijkheid” om het tegoed op de rekening aan te wenden voor het eigen levensonderhoud. Dit betekent dat het saldo van de bankrekening in periode 3 redelijkerwijs niet aan betrokkene kan worden toegerekend. Het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op periode 3 treft daarom geen doel.

4.4. Nader besluit

Vaststaat dat in periode 3 diverse kasstortingen hebben plaatsgevonden op de Rabobankrekening [nummer], waarvan de herkomst onduidelijk is. Ook hebben overboekingen plaatsgevonden in verband met de verkoop van elektronica via marktplaats.nl. De hoogte van die inkomsten zoals becijferd door appellant heeft betrokkene niet betwist. Deze inkomsten, die betrokkene naar eigen inzicht kan besteden zoals voor de voorziening in zijn levensonderhoud, moeten ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB tot de middelen van betrokkene worden gerekend, die in mindering strekken op de bijstand. Betrokkene heeft aangevoerd dat van de inkomsten de kosten in verband met inkoop van goederen moeten worden afgetrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 6 december 2011, LJN BU9167) is er in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Kosten met betrekking tot inkoop van goederen kunnen als verwervingskosten worden gekwalificeerd. Deze kosten, wat daar verder van zij, kunnen daarom bij de vaststelling van het inkomen niet worden betrokken. Dat betrokkene door deze kosten, naar zijn zeggen, in feite minder heeft te besteden, kan hier niet aan afdoen.

4.5. Bezwaarkosten en wegingsfactor

De rechtbank heeft appellant veroordeeld tot vergoeding van de bezwaarkosten tot een bedrag van € 1.311,-- (1 punt voor twee vrijwel identieke bezwaarschriften en 2 punten voor het aanwezig zijn bij de hoorzittingen, waarde per punt € 437,--). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is appellant niet gehouden tot vergoeding van de bezwaarkosten met betrekking tot bestreden besluit 1. Eerst in de bezwaarfase heeft betrokkene de gevraagde bankafschriften alsnog grotendeels ingeleverd. Uit deze afschriften kwam het bestaan van de ING-rekening naar voren, waarvan betrokkene ook nooit melding had gemaakt bij appellant. Als gevolg hiervan is het besluit van 21 december 2009 deels herzien, maar niet op grond van aan appellant te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank heeft dit niet onderkend en daarom ten onrechte één punt teveel berekend. Met betrekking tot de wegingsfactor zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat de zaken als meer dan gemiddeld van gewicht (wegingsfactor 1) moeten worden aangemerkt. Ook dit heeft de rechtbank niet onderkend. Het hoger beroep van appellant slaagt op dit onderdeel.

4.6. Conclusie

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt voor zover het betrekking heeft op periode 1, periode 2, de bezwaarkosten en de wegingsfactor, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen voor zover betrekking hebbend op de perioden 1 en 2 ongegrond verklaren. De proceskosten en de kosten in bezwaar bedragen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.748,-- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor aanwezigheid bij de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2011, 1 punt voor het indienen van twee nagenoeg identieke beroepschriften en

1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor van 1).

4.7. Het beroep tegen het nadere besluit met betrekking tot periode 3 is ongegrond. Voor zover het betreft de perioden 1 en 2 komt de grond aan het nadere besluit te ontvallen.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 20,40 voor de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting bij de Raad.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de perioden 1 en 2 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2011 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van in totaal € 2.712,40

(€ 1.748,-- + € 944,-- + € 20,40).

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD