Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
12-2469 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1678, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand over diverse periodes. Appellant heeft prematuur bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007, omdat het college deze besluiten destijds niet op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb had niet-ontvankelijkheid van het ingediende bezwaarschrift achterwege moeten blijven. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voor zover dat de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 betreft, niet in stand kunnen blijven. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2469 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2012, 11/4287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 14 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft het college een stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Het college heeft bij brief van 17 december 2012 nadere informatie verstrekt. Appellant heeft hierop bij brief van 9 januari 2013 gereageerd.

Vervolgens is de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 2 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 24 oktober 2001 heeft het college de aan appellant verstrekte bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet over de periode van 12 oktober 1998 tot en met 23 mei 1999 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van ƒ 10.250,62.

1.2. Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het college de aan appellant verstrekte bijstand over de perioden van 1 februari 2001 tot en met 31 maart 2001, van 1 juni 2001 tot en met 31 oktober 2001 en van 1 december 2001 tot en met 31 december 2001 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van in totaal

€ 3.471,36.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college de aan appellant verstrekte bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.126,16.

1.4. Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het college de aan appellant verstrekte bijstand over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 2.675,92.

1.5. Op 3 april 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de terugvordering door het college van € 2.675,62 en € 7.293,07 aan gemaakte kosten van bijstand. Namens appellant heeft mr. Maduro toegelicht dat appellant bezwaar maakt tegen de besluiten die ten grondslag liggen aan de vordering op grond waarvan beslag is gelegd.

1.6. Bij besluit van 12 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluit van 24 oktober 2001, 31 juli 2006, 3 juli 2007 en 1 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij handhaaft zijn standpunt dat de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 hem nimmer hebben bereikt. Die besluiten zijn niet aangetekend verzonden en het college heeft niet aan de hand van een deugdelijke verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk zijn verzonden. Appellant is van mening dat zijn bezwaren tegen deze twee besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen.

4.2. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal het bestuursorgaan nader bewijs moeten leveren ten aanzien van de ontvangst van het besluit.

4.3. Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Rotterdam op het adres dat is vermeld op de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007.

4.4. Ter zitting op 2 april 2013 heeft het college erkend dat het niet aan de hand van een verzendadministratie aannemelijk kan maken dat de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007, die niet per aangetekende post zijn verzonden, daadwerkelijk op die data zijn verzonden naar het adres van appellant.

4.5. Het college heeft zich niettemin op het standpunt gesteld dat appellant door middel van het invorderingsbesluit van 26 november 2010 in kennis is gesteld van de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007. Dit standpunt kan niet worden onderschreven. Het besluit van 26 november 2010 vermeldt weliswaar dat kopieën van de beschikkingen ter zake van een nog openstaande schuld van € 10.114,71 zijn bijgevoegd, maar een vermelding van de verschillende besluitdata en de terugvorderingsbedragen ontbreekt. Appellant erkent dat hij het besluit van 26 november 2010 heeft ontvangen. Hij ontkent evenwel uitdrukkelijk dat bij dit besluit bijlagen waren gevoegd.

4.6. Het voorgaande betekent dat verzending van de in geding zijnde besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 in rechte niet kan worden aangenomen en dat de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb niet is aangevangen één dag na de datering van de besluiten. Het college heeft bij brief van 21 juli 2011 kenbaar gemaakt dat het bezwaar van appellant van

3 april 2011, gericht tegen de besluiten die ten grondslag liggen aan de beslaglegging, betrekking hebben op de besluiten die dateren uit de periode tussen 24 oktober 2001 tot en met 1 oktober 2010. Appellant heeft prematuur bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007, omdat het college deze besluiten destijds niet op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb had niet-ontvankelijkheid van het ingediende bezwaarschrift achterwege moeten blijven.

4.7. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voor zover dat de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 betreft, niet in stand kunnen blijven. Nu het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de in het bezwaarschrift van 3 april 2011 tegen de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 aangevoerde gronden, kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien. Van het toepassen van een bestuurlijke lus wordt afgezien, nu de bij de beide besluiten toegepaste herziening en terugvordering van bijstand in de procedure van appellant nog geheel niet aan de orde is geweest. Het college zal worden opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 te nemen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.888,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 september 2011 voor zover

daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 24 oktober 2001 en 3 juli 2007 niet-ontvankelijk

zijn verklaard;

- draagt het college op een nieuw besluit op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van

24 oktober 2001 en 3 juli 2007 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

De griffier is buiten staat te ondertekenen

ew