Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
12-2010 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening pensioen. Appellant heeft geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij gedurende meer periodes in Nederland werkzaam is geweest dan waarvan de Svb is uitgegaan bij de vaststelling van de tijdvakken gedurende welke appellant verzekerd is geweest. Van een langere periode verzekering op grond van in Nederland verrichtte arbeid in loondienst is derhalve geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2010 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2012, 11/4085 AOW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 8 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2013. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 9 oktober 2007 heeft de Svb aan appellant een gewijzigd besluit toegezonden met betrekking tot de toekenning van een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarin is - voor zover hier van belang - aan appellant met ingang van januari 2005 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 6% van het volledige pensioen. De Svb is er daarbij van uitgegaan dat appellant vanaf de inwerkingtreding van de AOW op 1 januari 1957 niet verzekerd is geweest van 1 januari 1957 tot en met 13 september 1964, van 1 oktober 1966 tot en met 9 juni 1969 en van 30 september 1969 tot en met 3 januari 2005.

1.2. Appellant heeft de Svb verzocht zijn AOW-pensioen te herzien. Hij heeft daarbij (nogmaals) naar voren gebracht dat hij van 13 september 1964 tot en met 22 november 1969 in Nederland heeft gewoond.

1.3. Bij besluit van 24 februari 2011 heeft de Svb geweigerd appellants pensioen te herzien. Bij het bestreden besluit van 29 juli 2011 heeft de Svb zijn besluit van 24 februari 2011 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft ook in hoger beroep gesteld gedurende een langere periode in Nederland te hebben gewoond dan waarvan de Svb bij de vaststelling van de verzekerde periodes is uitgegaan.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De rechtbank heeft terecht gewezen op de rechtspraak van de Raad over de wijze van beoordeling van een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Volgens die rechtspraak moet in gevallen waarin een duuraanspraak in het geding is, bij de toetsing een onderscheid worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Om die reden zal het in beginsel bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.2. Ten opzichte van de gegevens die ten grondslag lagen aan het besluit van de Svb van 9 oktober 2007 heeft appellant geen nieuwe gegevens aangedragen. Er bestond derhalve geen aanleiding van dat besluit terug te komen voor een periode voorafgaande aan appellants verzoek om herziening.

4.3. Volgens artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd voor die wet degene die ingezetene is dan wel geen ingezetene is doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. In artikel 2 van de AOW is bepaald dat ingezetene is degene die in Nederland woont. In artikel 3, eerste lid, ten slotte is neergelegd dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld.

4.4. Appellant heeft geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij gedurende meer periodes in Nederland werkzaam is geweest dan waarvan de Svb is uitgegaan bij de vaststelling van de tijdvakken gedurende welke appellant verzekerd is geweest. Van een langere periode verzekering op grond van in Nederland verrichtte arbeid in loondienst is derhalve geen sprake.

4.5. Appellant heeft gedurende meer tijdvakken ingeschreven gestaan in de Gemeentelijke Basisadministratie van Deventer dan de tijdvakken van verzekering waarvan de Svb is uitgegaan. Uit deze inschrijving kan evenwel niet worden afgeleid dat appellant in die periode ingezetene van Nederland is geweest. In de eerste plaats is daarbij van belang dat de inschrijving in elk geval voor een deel niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, nu appellant ook volgens eigen zeggen al eerder uit Nederland was vertrokken om werkzaam te zijn in Duitsland dan dat zijn inschrijving eindigde. Voor de beoordeling van het ingezetenschap is voorts het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, LJN BP1466, van belang. Volgens de daarin gegeven criteria is appellant geen ingezetene van Nederland geworden. Daarbij is van belang dat appellants gezin in Turkije is blijven wonen en dat appellant steeds gedurende langere periodes naar Turkije terugging. Voorts is niet gebleken dat appellant over een zelfstandige woonruimte beschikte. Blijkens de arbeidsovereenkomst van DAVO Haardenfabriek, waar appellant van 14 september 1964 tot 21 maart 1966 werkzaam was, droeg deze werkgever zorg voor passende huisvesting en werd een vast bedrag per maand ingehouden voor deze huisvesting en kost. Dit wijst niet op een zelfstandige woonruimte.

4.6. Uit het onder 4.3 tot en met 4.5 overwogene volgt dat ook geen aanleiding bestond appellants AOW-pensioen voor de toekomst te herzien. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

RB