Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11-3387 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand buiten behandeling is gesteld. De Raad overweegt onder meer dat voor het einde van de hogerberoepstermijn per e-mailbericht hoger beroep is ingesteld. Uit art. 8:40a van de Awb en art. 1, lid 1 van het Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter, in samenhang met art. 21, lid 1 van de Beroepswet, vloeit voort dat het niet is toegestaan op deze manier hoger beroep in te stellen. Uit de artikelen 8:40a, 2:15, lid 1 en 6:6, aanhef en onder b, van de Awb, in samenhang met art. 21, lid 1 van de Beroepswet volgt dat het hoger beroep als gevolg hiervan eerst niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Nu het verzuim op 9 juni 2011 is hersteld, bestaat geen aanleiding het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad vindt voor dit standpunt steun in de uitspraken van de ABRS van 29 augustus 2012 (LJN: BX5940 en LJN BX5972).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:40a
Beroepswet 21
Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1353
AB 2014/11 met annotatie van W.J.M. Voermans, M.M. Groothuis
ABkort 2013/176
JB 2013/139
USZ 2013/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3387 WWB, 12/4713 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 27 april 2011, 11/289 en 11/298 (aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 juli 2012, 11/1343 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 12 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 12 november 2010 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 30 november 2010 heeft het college appellante gevraagd om vóór 10 december 2010 een aantal gegevens over te leggen. Daartoe behoorden schriftelijke verklaringen van leningen en gelden die appellante had ontvangen vanaf 1 januari 2010 en stortingen op eigen rekening tot een totaalbedrag van € 3.900, . Verder heeft het college appellante gevraagd hoe zij in die periode in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien, in de zin dat een aansluiting tussen inkomsten en uitgaven bestaat, bij het gegeven dat appellante contante betalingen heeft gedaan aan een deurwaarder, waar tegenover geen opnamen staan. Bij besluit van 24 december 2010 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt.

1.2. Nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo het verzoek van appellante tot het treffen van een voorlopige voorziening bij uitspraak van 9 februari 2011 heeft toegewezen en het college heeft opgedragen een beslissing op bezwaar te nemen uiterlijk vier weken na ontvangst van de gronden van bezwaar, heeft het college bij besluit van 1 maart 2011 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante gegrond verklaard voor zover gericht tegen het buiten behandeling stellen van de aanvraag en voor het overige het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de door appellante overgelegde gegevens voldoende waren om haar aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen, maar dat appellante onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe zij in de periode van iets minder dan een jaar voorafgaande aan haar aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB zodat haar verzoek om bijstand dient te worden afgewezen.

1.3. Appellante heeft op 9 maart 2011 opnieuw bijstand op grond van de WWB aangevraagd. Bij brieven van 15, 22 en 29 maart 2011 heeft het college gegevens, documenten en verklaringen van appellante gevraagd met betrekking tot de vraag hoe appellante in het daaraan voorafgaande jaar in haar levensonderhoud had voorzien. Op 12 april 2011 heeft appellante daarover een verklaring afgelegd tegenover een sociaal rechercheur. Voorts heeft op 13 april 2011 een onaangekondigd huisbezoek bij appellante plaatsgevonden.

1.4. Bij besluit van 29 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van appellante om bijstand afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat - kort samengevat - appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de wijze waarop zij in de periode van een jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in de kosten van levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Gelet hierop heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in beide hoger beroepen, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellante heeft voldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie voorafgaande aan haar aanvragen. Uit de overgelegde gegevens kan worden opgemaakt dat zij haar uitgaven financiert met geld dat zij heeft geleend van familie en vrienden. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de periode waarover het college inzicht wenst in haar financiële situatie een te lange periode betreft.

3.2. Het college heeft ter zitting alsmede in de procedure, geregistreerd onder nummer 12/7, naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van appellante met betrekking tot aangevallen uitspraak 1, aangevoerd dat appellante het hoger beroep tegen deze uitspraak te laat heeft ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ontvankelijkheid in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1

4.1. Voor het einde van de hogerberoepstermijn is per e-mailbericht hoger beroep ingesteld. Uit artikel 8:40a van de Awb en artikel 1, eerste lid, van het Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter, in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, vloeit voort dat het niet is toegestaan op deze manier hoger beroep in te stellen. Uit de artikelen 8:40a, 2:15, eerste lid, en 6:6, aanhef en onder b, van de Awb, in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet volgt dat het hoger beroep als gevolg hiervan eerst niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Nu het verzuim op 9 juni 2011 is hersteld, bestaat geen aanleiding het hoger beroep

niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad vindt voor dit standpunt steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 augustus 2012, LJN BX5940 en LJN BX5972.

11/3387 WWB

4.2. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 januari 2011, LJN BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Volgens eveneens vaste rechtspraak (CRvB 12 oktober 2010, LJN BO0480) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand van de betrokkene in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in de giro- en bankafschriften over de laatste drie maanden. Indien op basis van objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene over zijn situatie verstrekte inlichtingen, is het bijstandverlenend orgaan gerechtigd een gericht onderzoek te doen en in dat kader zo nodig over een verder in het verleden liggende periode inzicht in de financiële situatie te verlangen. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 31 januari 2012, LJN BV2333.

4.3. De hier te beoordelen periode loopt van 12 november 2010 als datum van aanvraag tot en met de datum van het besluit waarbij inhoudelijk op de aanvraag is beslist, dus 1 maart 2011 (periode I). Uit de door appellante overgelegde gegevens over de periode van 12 augustus 2010 tot 12 november 2010 is gebleken dat appellante, die meldde dat zij geen inkomsten uit of in verband met arbeid ontving, in deze periode over een uitgavenpatroon beschikte dat niet strookt met het uitgavenpatroon van een persoon die in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Appellante heeft in vorengenoemde periode blijkens de bankafschriften veel geld uitgegeven aan kleding, telefoonkosten en benzine, maar zij heeft aan levensonderhoud aanzienlijk minder besteed dan de normen die het Nibud hiervoor hanteert. Tijdens het intakegesprek van 30 november 2010 heeft appellante voorts de onduidelijkheden over haar financiële situatie niet weg kunnen nemen. In deze situatie was het college gerechtigd nader onderzoek in te stellen en inzicht in de financiële situatie van appellante te verlangen vanaf januari 2010.

4.4. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in periode I in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Zij heeft immers onvoldoende inzicht gegeven over hoe zij in de daaraan voorafgaande periode in haar bestaan heeft weten te voorzien. Op haar aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat zij twee schulden heeft en dat zij schenkingen heeft ontvangen van vrienden, familie en kennissen ter hoogte van € 4.000,-- à € 5.000,--. Ten tijde van het intakegesprek heeft appellante, anders dan zij heeft vermeld op haar aanvraagformulier, gemeld dat zij leningen ter hoogte van € 6.900,-- met familie, vrienden en bekenden is overeengekomen. Appellante heeft vervolgens ter onderbouwing van dit standpunt een aantal verklaringen overgelegd. Aan deze verklaringen kan echter niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien, omdat deze verklaringen naderhand zijn opgemaakt en niet objectief, concreet en verifieerbaar zijn.

4.5. Appellante heeft voorts geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag hoe zij in de periode van een klein jaar voorafgaande aan de aanvraag aanzienlijk minder aan levensonderhoud heeft kunnen uitgeven dan de normen die het Nibud hiervoor hanteert. De verklaringen die appellante hierover heeft afgelegd zijn niet eenduidig en onderling tegenstrijdig. Zo heeft zij eerst verklaard bij haar moeder te eten, vervolgens heeft zij verklaard dat haar moeder in het ziekenhuis lag en voorts heeft appellante vermeld dat zij bij haar ex-schoonzus, haar broer maar ook wel thuis at. Van belang is daarnaast dat appellante meer geld uitgeeft aan kleding, telefoonkosten, benzine en vakanties dan van een persoon die in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert mag worden verwacht. Appellante heeft hierover evenmin duidelijkheid verschaft. Ook blijft onduidelijkheid bestaan over de financiering van maandelijkse betalingen van appellante aan deurwaarder Vanhommerig

& Vanhommerig. De verklaringen die appellante hierover heeft afgelegd zijn niet consistent en in een aantal gevallen onjuist. De discrepantie tussen inkomsten en uitgavenpatroon is dus blijven bestaan.

4.6. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het college de aanvraag van 12 november 2010 terecht heeft afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in periode I verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

12/4713 WWB

4.7. Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.8. De hier te beoordelen periode loopt van 9 maart 2011 tot en met 29 april 2011 (periode II). Appellante heeft niet aangetoond dat zij in periode II wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit overweging 4.2 tot en met 4.6 volgt dat appellante onvoldoende inzicht heeft gegeven over hoe zij in de periode van januari 2010 tot en met

27 november 2010 in haar bestaan heeft weten te voorzien. Appellante heeft vervolgens bij haar aanvraag van 9 maart 2011 vermeld dat zij diverse schulden heeft. Zij heeft betalingsherinneringen en facturen overgelegd alsmede sommaties van deurwaarders. Tevens heeft appellante opnieuw verklaringen van familieleden en vrienden overgelegd waarin zij hebben gesteld dat aan appellante geld is geleend en waarin wordt verklaard waar zij eet. Ook deze verklaringen zijn naderhand opgemaakt, niet objectief, concreet en verifieerbaar. Uit de overgelegde bankafschriften over de periode van 9 maart 2010 tot en met 9 maart 2011 blijkt voorts nog hetzelfde uitgavenpatroon als in de periode van januari 2010 tot en met

27 november 2010. Appellante heeft met de door haar overgelegde documenten en afgelegde verklaringen geen helderheid kunnen verschaffen over de vraag hoe zij in de periode voorafgaande aan de aanvraag in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Aldus heeft appellante geen wijziging in haar omstandigheden aangetoond in die zin dat zij in periode II wel voldeed aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Dat het college met ingang van

3 mei 2011 bijstand aan appellante heeft toegekend leidt niet tot een ander oordeel.

4.9. Uit hetgeen in 4.8 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD