Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
11-3123 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZ-uitkering werd met ingang van 1 januari 2008 op nihil gesteld. Terugvordering de teveel betaalde WAZ-uitkering. Uit het besluit van 15 december 2009 kan niet worden afgeleid dat appellant in 2008 in het geheel geen activiteiten kon verrichten. Met het Uwv acht de Raad voor deze conclusie doorslaggevend de reikwijdte van de in het medisch onderzoeksverslag beschreven beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML. Verder is de geringe omvang van de werkzaamheden op zichzelf niet beslissend voor de vraag of de inkomsten daaruit als inkomsten uit arbeid in de zin van de WAZ hebben te gelden, zoals trouwens die geringe omvang volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2010 (LJN BJ7956) ook niet beslissend is voor het aanmerken als het drijven van een onderneming van het met een windmolen deelnemen aan het economische verkeer.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3123 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 april 2011, 10/1525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 8 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.J.A. Elling, belastingadviseur, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 juli 2012 heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij - thans - Fiscount Juristen B.V., zich als opvolgend gemachtigde gesteld en nadere gronden ingediend. Hierop heeft het Uwv gereageerd en ontbrekende stukken ingediend.

Van Baarlen, voornoemd, heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2013. Namens appellant is R.T. van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als zelfstandig akkerbouwer en heeft zich met ingang van 21 maart 1993 arbeidsongeschikt gemeld. Aan appellant is na afloop van de wettelijke wachttijd een uitkering op grond van de toen geldende Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Appellant heeft zijn activiteiten als zelfstandig agrariër in 1998 gestaakt. Appellant exploiteerde sinds 1996 samen met twee andere personen in een vennootschap onder firma (vof) een windmolen, waarbij zijn winstaandeel 50% bedroeg. De vof is met ingang van 1 januari 2010 omgezet in een commanditaire vennootschap (cv), waarin appellant de zogenoemde stille vennoot is.

2. In een rapport van 9 oktober 2007 is de inhoud van een (telefoon) gesprek op 5 oktober 2007 van de arbeidsdeskundige met appellant en met zijn toenmalige gemachtigde samengevat weergegeven. Vermeld is dat voor het onderhoud van de windmolen een onderhoudscontract is afgesloten en dat er soms telefonisch contact is over de windmolen. Met de accountant is besproken dat de inkomsten uit de exploitatie van de windmolen als winst uit onderneming in box 1 van de aangifte inkomstenbelasting worden opgevoerd.

De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant met marginale arbeidsinbreng nog een inkomen kon verwerven en deelde bij brief van 10 oktober 2007 aan appellant mee dat bij een eerstvolgende beoordeling de inkomsten uit de exploitatie van de windmolen worden betrokken bij de toetsing van de situatie van appellant aan artikel 58 van de WAZ.

3. Het Uwv heeft bij besluit van 16 december 2009 vastgesteld dat appellant in verband met zijn verdiensten met toepassing van artikel 58 van de WAZ voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008. Het Uwv heeft voorts bij besluit van 2 maart 2010 van appellant teruggevorderd de teveel betaalde WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 ten bedrage van € 6.140,40.

4. Het Uwv heeft bij besluit van 20 mei 2010 (bestreden besluit) het besluit van 16 december 2009 - onder verwijzing naar het arbeidskundig onderzoek op 5 oktober 2007 - in zoverre herroepen dat de WAZ-uitkering eerst met ingang van 1 januari 2008 op nihil werd gesteld. Het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2010 heeft het Uwv voorts ongegrond verklaard.

5.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5.2. De rechtbank heeft - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 december 2010 (LJN BO6014) - vooropgesteld dat bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ voor het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomsten uit arbeid moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte en door de fiscus gehonoreerde keuze. Van die keuze kan alleen worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

5.3. De rechtbank heeft voorts erop gewezen dat appellant zijn inkomsten uit de exploitatie van de windmolen over het jaar 2008 bij de fiscus als winst uit onderneming heeft opgevoerd en dat deze opgave door de fiscus is gevolgd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedingstukken en het verhandelde op haar zitting van 4 maart 2011 kan worden afgeleid dat appellant in 2008 beheers- en feitelijke handelingen heeft verricht. De omstandigheid dat de arbeid een (zeer) beperkte omvang had levert, aldus de rechtbank, geen bijzondere omstandigheid op ter afwijking van het in 5.2 weergegeven uitgangspunt. Hetzelfde geldt volgens de rechtbank voor het gegeven dat de vof met ingang van 1 januari 2010 is omgezet in een cv, omdat niet is gebleken dat appellant in 2008 een meer beperkte rol had in - toen - de vof dan wel in het geheel geen arbeid ten behoeve van de vof verrichtte.

5.4. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit wat betreft de toepassing van artikel 58 van de WAZ in rechte standhoudt en dat, nu appellant geen afzonderlijke gronden tegen de terugvordering had aangevoerd, hetzelfde geldt voor het daarop betrekking hebbende gedeelte van het bestreden besluit.

6.1. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2008 in het geheel geen arbeid heeft verricht in het kader van de exploitatie van de windmolen. Appellant heeft in dit verband gewezen op het besluit van 15 december 2009 waarbij de WAZ-uitkering van appellant, die daarvoor werd berekend naar de klasse 45 tot 55%, met ingang van 29 januari 2008 werd herzien naar de klasse 80 tot 100%. Volgens appellant is het aannemen van het verrichten van werkzaamheden in 2008 in strijd met dit besluit en met de door het Uwv vastgestelde beperkingen.

6.2. Het Uwv heeft naar aanleiding van dit standpunt van appellant het aan het besluit van 15 december 2009 mede ten grondslag gelegde medisch onderzoeksverslag van de verzekeringsarts van 28 november 2008 overgelegd. In dit verslag is geconcludeerd dat er geen sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Wel zijn de beperkingen van appellant beschreven en neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waarin ook een urenbeperking was opgenomen van twintig uur per week. In dit verband heeft het Uwv er in zijn brief van 7 augustus 2012 op gewezen dat de WAZ-uitkering van appellant louter op arbeidskundige gronden is herzien.

7.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat in hoger beroep (nog) slechts wordt bestreden dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals in 5.2 genoemd.

De Raad zal zich daartoe beperken.

7.2. De Raad onderschrijft geheel het oordeel van de rechtbank over dit punt, zoals hiervoor weergegeven in de overwegingen 5.2 en 5.3. Hij voegt daar nog aan toe dat uit het besluit van 15 december 2009 niet kan worden afgeleid dat appellant in 2008 in het geheel geen activiteiten kon verrichten. Met het Uwv acht de Raad voor deze conclusie doorslaggevend de reikwijdte van de in het medisch onderzoeksverslag beschreven beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de in 6.2 vermelde FML. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat namens appellant ter zitting van de rechtbank is verklaard dat de vennoten ongetwijfeld bij elkaar kwamen voor overleg en dat appellant bij een storing wel eens een resetknop indrukte. Verder is de geringe omvang van de werkzaamheden op zichzelf niet beslissend voor de vraag of de inkomsten daaruit als inkomsten uit arbeid in de zin van de WAZ hebben te gelden, zoals trouwens die geringe omvang volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2010 (LJN BJ7956) ook niet beslissend is voor het aanmerken als het drijven van een onderneming van het met een windmolen deelnemen aan het economische verkeer. Aan de in hoger beroep overgelegde eigen verklaring van appellant en de verklaring van een medevennoot, beide opgemaakt in juli 2012, dat appellant op en na 1 januari 2008 geen werkzaamheden ten behoeve van de exploitatie van de windmolen heeft verricht, kan dan ook niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien.

7.3. De Raad volgt ten slotte ook het oordeel van de rechtbank over dat onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de terugvordering, nu appellant daartegen ook in hoger beroep geen afzonderlijke gronden heeft geformuleerd.

7.4. Uit de overwegingen 7.1 tot en met 7.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) K.E. Haan

RB