Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
10-3647 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (LJN BY1813) heeft het bestuur bij besluit van 4 januari 2013 een nadere motivering gegeven voor de betrokkenheid van appellante bij de hennepkwekerij met 196 hennepplanten in de keet in de nabijheid van haar woonwagen. De beroepsgrond betreffende het niet opnieuw horen van appellante treft geen doel. Het bestuur heeft terecht aangenomen dat appellante door haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij inkomsten heeft verworven waarvan zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het bestuur en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3647 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 mei 2010, 09/4735 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het bestuur van Baanbrekers (bestuur)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 30 oktober 2012, LJN BY1813, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het bestuur bij besluit van 4 januari 2013 een nadere motivering gegeven voor de betrokkenheid van appellante bij de hennepkwekerij met 196 hennepplanten in de keet in de nabijheid van haar woonwagen.

Bij brief van 14 februari 2013 heeft appellante haar zienswijze gegeven.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Waar in deze uitspraak over het bestuur wordt gesproken, wordt daaronder tevens verstaan diens rechtsvoorganger, het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.

2. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 30 oktober 2012 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.

3. Het bestuur heeft bij zijn besluit van 4 januari 2013 de betrokkenheid van appellante bij de kwekerij met 196 hennepplanten in de keet in de nabijheid van haar woonwagen aangenomen op basis van verdere onderzoeksgegevens.

4. Appellante is het niet eens met het besluit van 4 januari 2013. Zij heeft aangevoerd dat het besluit tot stand is gekomen zonder dat zij daarbij in gelegenheid is gesteld ter zake te worden gehoord. Appellante heeft verder aangevoerd dat uit het besluit niet blijkt op grond waarvan haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij is vastgesteld en stelt dat een deugdelijke onderbouwing wederom ontbreekt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 19 oktober 2010, LJN BO1313) houdt artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet een algemene verplichting in tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak waarbij de eerste beslissing op bezwaar is vernietigd. Weliswaar kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om de belanghebbende bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen, maar in dit geval doet zich een zodanige situatie niet voor. De standpunten van appellante zijn voldoende bekend. De beroepsgrond betreffende het niet opnieuw horen van appellante treft geen doel.

7. De Raad is, anders dan appellante, van oordeel dat met de onderzoeksgegevens van buitengewoon opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar], zoals vastgelegd in zijn op ambtseed afgelegde verklaring van 19 december 2012 met bijbehorende luchtfoto van 15 mei 2007 en situatieschets, voldoende feitelijke grondslag bestaat voor betrokkenheid van appellante bij de hennepkwekerij met 196 hennepplanten in de nabijheid van haar woonwagen. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat de keet met de hennepkwekerij met 196 hennepplanten slechts op twee meter afstand van het perceel van appellante lag en dat de keet illegaal is gebouwd in een weiland waarvan de gemeente Heusden eigenaar is. Van belang is verder dat de op de waterkraan van appellante aangesloten waterslang over een schutting was getrokken en eindigde in een waterton welke deel uitmaakte van de hennepkwekerij. Het is niet aannemelijk dat de aldus op 10 februari 2009 op het terrein van appellante aangetroffen waterslang haar niet was opgevallen. Ook het feit dat op het terrein van appellante een hennepdrogerij is aangetroffen en dat op de toegangsdeur van de keet een sensor was bevestigd die verbonden was met de in werking zijnde alarminstallatie op het terrein van appellante wijzen op haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Dat appellante de elektravoorziening van de kwekerij niet heeft gefacilieerd doet hier niet aan af.

8. Uit het vorenstaande volgt dat het bestuur terecht heeft aangenomen dat appellante, in de hier van belang zijnde periode, door haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij inkomsten heeft verworven waarvan zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het bestuur en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

9. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak in 4.3 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, met gegrondverklaring van het beroep van appellante, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

10. Aanleiding bestaat om het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.888,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

-veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde bedrag aan griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.T.P. Pot

HD