Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11-2736 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding kosten in bezwaar. Toepassing artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1355
RSV 2013/211
JWWB 2013/115
USZ 2013/212
JIN 2013/148 met annotatie van J.H. Keinemans
JB 2013/136 met annotatie van J.H. Keinemans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2736 WWB, 11/2801 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van

30 maart 2011, 10/474 (aangevallen uitspraak 1) en van 30 maart 2011, 10/765 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Naam appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [naam appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (college 1)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college 2)

Datum uitspraak 1 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De colleges hebben elk een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben beide colleges de Raad een stuk doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2013. Appellanten, ambtshalve opgeroepen, zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Voor appellanten is wel mr. Bovenkamp verschenen. College 1, hoewel ambtshalve opgeroepen, heeft zich niet laten vertegenwoordigen. College 2, eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kalmar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben in de periode van 10 november 2005 tot en met 31 december 2005 tezamen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden ontvangen. Zij voerden destijds een gezamenlijke huishouding in de woning van appellante op het adres [adres 1] in [woonplaats 1]. Appellante ontving vanaf 1 januari 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%. Appellant staat vanaf 25 september 2008 ingeschreven op het adres [adres 2] in [w[woonplaats 2] en ontving toen bijstand naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%.

1.2. Naar aanleiding van een melding op 4 augustus 2009 dat bij appellant een vriendin inwoont, waarmee hij eerder in [woonplaats 1] heeft samengewoond en dat zij in het wooncomplex voor veel overlast zorgt, heeft de sociale recherche van de gemeente Maastricht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. Dat onderzoek heeft onder meer bestaan uit het inwinnen van informatie bij de verhuurder van de woning van appellant, tien kortstondige waarnemingen bij de woning van appellante en vier van dergelijke waarnemingen bij de woning van appellant, een huisbezoek aan de woning van appellant in de ochtenduren van 22 oktober 2009, waarbij appellanten een verklaring hebben afgelegd en buurtonderzoek in de omgeving van de woning van appellante. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in twee rapporten van 2 november 2009.

1.3. Op basis van deze onderzoeksresultaten heeft college 1 bij besluit van 4 december 2009 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2009 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum niet langer in de gemeente Valkenburg aan de Geul woonachtig is. Bij dit besluit zijn tevens de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand over de periode van

1 april 2009 tot en met 30 september 2009 van appellante teruggevorderd en is het bedrag van terugvordering vastgesteld op € 6.638,51 bruto. Bij besluit van 2 maart 2010 (bestreden besluit 1) heeft college 1 het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2009 ongegrond verklaard met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering met € 0,01 is verlaagd tot

€ 6.638,50. Op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand is afwijzend beslist op de grond dat geen sprake is van een herroeping van het primaire besluit wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor college 2 aanleiding geweest om bij besluit van 10 november 2009 de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2009 te herzien in die zin dat de toeslag wordt verlaagd tot 10% op de grond dat hij de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen. Bij dit besluit zijn tevens de over de periode van 1 april 2009 tot en met 30 september 2009 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 727,37 netto van appellant teruggevorderd, het met de bijstand te verrekenen bedrag van de aflossing vastgesteld op € 77,71 per maand en de bijstand van appellant bij wijze van maatregel vanaf 1 november 2009 gedurende twee maanden met 10% verlaagd op de grond dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen door aan college 2 niet te melden dat sinds 1 april 2009 een persoon bij hem inwoont. Bij besluit van 14 april 2010 (bestreden besluit 2) heeft college 2 het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2009 in zoverre gegrond verklaard dat de aflossing in de vorm van verrekening over de maanden november en december 2009 ongedaan wordt gemaakt, omdat de bijstand van appellant over die maanden vanwege de maatregel al met 10% is verlaagd en de verrekening van de terugvordering ertoe heeft geleid dat appellant in die maanden niet over een inkomen van 90% van de voor hem toepasselijke norm en toeslag beschikte.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben - onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 27 november 2008, 36391/02 (Salduz) - betoogd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan het verhoor door de sociale recherche tijdens het huisbezoek op 22 oktober 2009 een raadsman te raadplegen. Dit betoog, erop neerkomende dat vanwege de beweerdelijke schending van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het mede door die schending verkregen bewijs niet door de colleges kan worden benut, kan niet slagen. In een zaak als de onderhavige, waarbij appellanten tijdens het huisbezoek een verklaring hebben afgelegd in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek dat er op was gericht hun recht op bijstand nader vast te stellen of te herbeoordelen, gaat het niet om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot appellanten uitstrekt (vergelijk CRvB 19 mei 2009,

LJN BI6036).

4.2. De beroepsgrond dat aan appellanten ten onrechte niet de cautie is gegeven, slaagt evenmin. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 28 oktober 2008, LJN BG3682), is een bestuursorgaan niet gehouden de betrokkene, die in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek gericht op de - nadere - vaststelling van het recht op bijstand een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij een verdachte in strafrechtelijke zin. Dat appellanten voorafgaande aan de afgelegde verklaringen er niet op zijn gewezen dat zij het recht hebben om te zwijgen, leidt dan ook niet tot de conclusie dat die verklaringen door de colleges niet bij de besluitvorming mochten worden betrokken..

4.3.1. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek op 22 oktober 2009 en dat, zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraken heeft overwogen, geen sprake was informed consent, zodat de bevindingen bij het huisbezoek wegens strijd met artikel 8 van het EVRM als onrechtmatig verkregen bewijs buiten aanmerking moeten blijven.

4.3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 november 2009, LJN BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van informed consent. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning, hangt af van het antwoord op de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond, dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het informed consent bij het binnentreden in de woning berust op het bijstandverlenend orgaan.

4.3.3. Bij tien kortstondige waarnemingen bij de woning van appellante, verspreid over de periode van 18 september 2009 tot en met 21 oktober 2009, is geen enkel teken van bewoning vastgesteld. De gordijnen waren onveranderd gesloten, voor de woning stond een fiets zonder achterband gestald en in de voortuin groeide veel onkruid. Bij elke volgende waarneming was de situatie in geen enkel opzicht gewijzigd. In diezelfde periode is bij drie van de vier kortdurende waarnemingen bij de woning van appellant vastgesteld dat op het balkon aan de achterzijde van de woning dameskleding was opgehangen. Voorts heeft een medewerkster van Servatius Wonen, de woningverhuurder van appellant, desgevraagd tegenover de sociale recherche verklaard dat er vanuit de omgeving van de woning van appellant diverse klachten van overlast zijn binnengekomen, die voornamelijk betrekking hadden op de partner van appellant. De betreffende medewerkster heeft gemeld dat zij appellant in eerste instantie daarop mondeling heeft aangesproken. Toen dit niet leidde tot een vermindering van klachten, maar tot een escalatie, is appellant daarop schriftelijk aangesproken. In de brief van de verhuurder van 17 juli 2009 is appellant erop gewezen dat hij verantwoordelijk is voor zijn partner gedurende haar verblijf in zijn woning en is hem geadviseerd ervoor zorg te dragen dat de permanente inwoning van zijn vriendin wordt beëindigd en zij terugkeert naar haar eigen woning.

4.3.4. Gelet op de in 4.3.3 weergegeven feiten en omstandigheden kon redelijkerwijs twijfel bestaan over de juistheid van de door appellante verstrekte informatie dat zij feitelijk verblijf houdt in haar woning in [woonplaats 1] en over de juistheid van de door appellant verstrekte informatie dat hij alleen woont en daarom recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%.

4.3.5. Het oordeel van de rechtbank dat niet voldaan is aan de eis van informed consent is niet bestreden. Dat betekent dat sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het gebruik maken door de colleges van hetgeen appellanten tijdens het huisbezoek hebben verklaard zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat, indien appellanten naar behoren zouden zijn geïnformeerd en vervolgens zouden hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering zou hebben meegebracht dat hun recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking, herziening en terugvordering van bijstand. Om die reden behoeven de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling van het recht op bijstand niet buiten beschouwing te blijven.

4.4.1. Appellanten zijn van mening dat zij niet aan hun tijdens het huisbezoek afgelegde verklaringen kunnen worden gehouden, omdat deze onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Tijdens het huisbezoek, dat omstreeks 8.00 uur is begonnen, stonden appellanten onder tijdsdruk, omdat zij deelnemen aan een methadonproject, waarbij als voorwaarde is gesteld de deelname aan een werktraject, en zij zich die dag uiterlijk om 9.15 uur bij de Mondriaan Divisie Verslavingszorg aan de Gerarduslaan in Maastricht voor hun medicatie moesten melden. Verschijnen appellanten niet op tijd, dan worden zij uitgesloten van behandeling met heroïne tot de eerst volgende vergadering waarin besloten wordt of zij terug kunnen komen in het programma. Het niet tijdig innemen van de medicatie veroorzaakt ontwenningsverschijnselen, die om 10.00 uur al merkbaar kunnen zijn. Ter ondersteuning van hun standpunt hebben appellanten beroep gedaan op een e-mailbericht van M. Dingelstad, maatschappelijk werkende van de Mondriaan Divisie Verslavingszorg, van 1 februari 2010.

4.4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 augustus 2011, LJN BR7039) mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante heeft aan het einde van het gesprek verklaard dat zij zich goed in staat voelde om de verklaring af te leggen en appellant heeft verklaard dat hij zich op dat moment goed voelde. Beiden hebben de handgeschreven verslagen per pagina ondertekend. Gerapporteerd is dat appellanten de verklaringen na voor- en doorlezing hebben ondertekend. Vastgesteld wordt dat de door appellanten ondertekende verklaringen geen enkele aanwijzing bevatten dat appellanten tijdens het huisbezoek onder tijdsdruk hebben geleden of dat bij hen of een van beiden sprake was van enig ontwenningsverschijnsel. Uit de verklaringen en de opgemaakte rapporten blijkt niet dat appellanten melding hebben gemaakt dat zij zich in verband met hun verslaving tijdig elders in Maastricht persoonlijk moesten melden.

4.4.3. Het e-mailbericht van M. Dingelstad van 1 februari 2010 leidt niet tot een ander oordeel. Hetgeen in dat bericht naar voren komt, zegt op zich niets over de druk die appellanten hebben ervaren. Onduidelijk is gebleven of appellanten de mogelijkheid hebben gehad om telefonisch door te geven dat en waarom zij niet in staat waren zich tijdig te melden. Dat appellanten als gevolg van optredende ontwenningsverschijnselen tijdens het huisbezoek een onjuiste verklaring hebben afgelegd, kan niet uit genoemd e-mailbericht worden afgeleid. De stelling in het e-mailbericht dat bij niet tijdige inname van methadon ’s morgens vóór 10.00 uur lichamelijke ontwenning voor de betrokkene al merkbaar kan zijn, is daartoe onvoldoende.

4.5. Appellanten zijn van mening dat het standpunt van college 1 dat appellante vanaf 1 april 2009 niet langer woonachtig is in de gemeente Valkenburg aan de Geul en het standpunt van college 2 dat appellant vanaf genoemde datum de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen en daarom slechts recht heeft op een toeslag van 10%, niet op een toereikende feitelijke grondslag berusten, ook als de door hen afgelegde verklaringen in aanmerking worden genomen. De Raad deelt deze opvatting niet. Appellant heeft direct verklaard dat appellante vanaf 1 april 2009 bij hem woont en dat hij dit zo goed weet, omdat zij toen in haar woning in [woonplaats 1] van het licht was afgesloten. Voorts heeft hij verklaard dat appellante in zijn woning kleding, papieren en persoonlijke spullen heeft. Appellante heeft in eerste instantie verklaard dat zij sinds een maand bij appellant verblijft, maar heeft vervolgens bekend dat zij sinds maart 2009, vanaf de datum van afsluiting van stroom en gas in haar woning, in de woning bij appellant verblijft. Deze afsluiting van energie heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009. Gelet op de - uiteindelijk - eenduidige verklaringen van appellanten, die ondersteund worden door verklaringen die twee bewoners bij het buurtonderzoek in [woonplaats 1] hebben afgelegd, berusten de standpunten van de beide colleges op een toereikende feitelijke grondslag.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat college 1 onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2009 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 2009 tot en met 30 september 2009 onder toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van haar terug te vorderen. Daaruit vloeit tevens voort dat college 2 bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2009 te herzien door de toeslag tot 10% te verlagen en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 2009 tot en met 30 september 2009 van hem terug te vorderen. Appellanten hebben geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de wijze waarop van de bevoegdheden tot intrekking, herziening en terugvordering gebruik is gemaakt. Evenmin heeft appellant zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de verlaging van de bijstand van - kort gezegd - 10% gedurende twee maanden.

4.7. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat, aangezien bij bestreden besluit 1 is geconstateerd dat bij het besluit van 4 december 2009 € 0,01 teveel bijstand is teruggevorderd, het bezwaar - in ieder geval - gedeeltelijk gegrond verklaard had moeten worden en college 1 de gemaakte kosten in bezwaar, zoals gevraagd, had moeten vergoeden.

4.7.1. De Raad is van oordeel dat de door college 1 erkende fout in het besluit van 4 december 2009 geen typefout betreft, zoals dat college ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd. Het in het besluit van 4 december 2009 genoemde terugvorderingsbedrag komt immers overeen met de berekening die op grond van de tot de gedingstukken behorende overzichten is gemaakt. De conclusie kan niet anders zijn dan dat college 1 naar aanleiding van de in bezwaar aangevoerde meer subsidiaire grond dat het bedrag van de terugvordering te hoog is, bij bestreden besluit 1 het besluit van 4 december 2009 heeft herroepen in die zin dat het bedrag van de terugvordering met € 0,01 is verlaagd. Dit brengt mee dat bestreden besluit 1 niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.7.2. Uit 4.7.1 volgt dat de aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Vervolgens zal worden bezien of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 1 in stand blijven.

4.7.3. Aangezien het besluit van 4 december 2009 is herroepen wegens een aan college 1 te wijten onrechtmatigheid, komt appellante ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb in beginsel in aanmerking voor vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit bestuurskosten procesrecht (Bpb) is bepaald op welke wijze het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken. Nu appellante in bestreden besluit 1 op een punt van zeer ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld, te weten voor € 0,01, bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb het bedrag van de te vergoeden kosten op nihil vast te stellen. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar in rechte standhoudt. De Raad zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 1 in stand blijven.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

4.9. De verzoeken van appellanten om de colleges te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente komen, gelet op het voorgaande, niet voor toewijzing in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellante, ziet de Raad, onder verwijzing naar hetgeen in 4.7.3 is overwogen, evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in het geding 11/2736 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 maart 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 maart 2010 voor zover dit betrekking heeft op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;

- bepaalt dat college 1 aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 152,-- vergoedt;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

in het geding 11/2801 WWB

- bevestigt aangevallen uitspraak 2;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.C. Oomkens

HD