Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11-6088 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat betrokkene voldoet aan de in artikel 15, eerste lid, van het Bbp gestelde voorwaarden. Het oordeel van de rechtbank wordt gedeeld, dat uit de onder c gestelde voorwaarde niet kan worden afgeleid dat de periode van ten minste twee jaren waarin de operationele toelage reeds genoten is geheel bij hetzelfde politiekorps moet zijn doorgebracht om voor de toelage in aanmerking te komen. Wat betreft de passage uit de circulaire over het Akkoord waarop de korpschef zich heeft beroepen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat - daargelaten of bij circulaire een beperkende interpretatie kan worden gegeven van het Bbp of van genoemd Akkoord - in ieder geval hier niet sprake is van de situatie dat een politieambtenaar wordt aangesteld in een ander korps.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6088 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

1 september 2011, 10/3096 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de beheerder van het Korps Landelijke Politiediensten, thans de Korpschef van politie (korpschef)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 11 april 2013.

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.G. Kho. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A. van Erk-de Rooij.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb.2012,316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de beheerder van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

1.1. Betrokkene is sinds 1999 werkzaam bij de politie. Aanvankelijk was hij aangesteld bij de politieregio Brabant-Noord. Hij heeft daar steeds een operationele toelage als bedoeld in artikel 14 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) ontvangen. Aansluitend is hij met ingang van 1 februari 2009 aangesteld als allround politiemedewerker bij het KLPD. Ook daar ontving hij een operationele toelage. Met ingang van 1 januari 2010 is betrokkene binnen de KLPD tijdelijk verplaatst naar de functie van coach bij de afdeling [naam afdeling]. Aangezien aan die functie geen operationele toelage was verbonden, heeft betrokkene de korpschef verzocht hem in aanmerking te brengen voor een aflopende uitkering als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Bbp. Bij besluit van 15 april 2010 is dit verzoek afgewezen.

1.2. Bij besluit van 12 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van betrokkene afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit van 15 april 2010 herroepen en bepaald dat betrokkene vanaf 1 januari 2010 recht heeft op een nader door de korpschef te berekenen aflopende toelage en vanaf 1 februari 2010 recht heeft op wettelijke rente. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat betrokkene de operationele toelage ten minste twee jaren voorafgaande aan zijn verplaatsing naar de functie van coach heeft genoten. Bij die verplaatsing is geen sprake van de situatie dat een politieman wordt aangesteld in een ander korps. De rechtbank vermag niet in te zien waarom tevens het vereiste zou gelden dat de operationele toelage tenminste twee jaren bij dezelfde politiedienst - in casu: het KLPD - zou zijn genoten. De korpschef heeft dus ten onrechte betekenis gehecht aan de omstandigheid dat betrokkene nog geen jaar bij het KLPD werkte, en voordien bij de politieregio.

3. In hoger beroep heeft de korpschef gewezen op een passage uit de circulaire van het Ministerie van Binnenlandse zaken van 26 augustus 2008, waarin nadere informatie wordt gegeven over het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 (Akkoord). In die passage is vermeld dat de aflopende toelage niet geldt als de ambtenaar solliciteert en wordt aangesteld in een ander korps. In dit geval is hiervan sprake nu betrokkene na een sollicitatie per 1 februari 2009 is aangesteld bij het KLPD. De voorafgaande dienstjaren bij een ander korps tellen dan niet mee. Het verzoek van betrokkene is dus op terechte gronden afgewezen, aldus de korpschef.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 15, eerste lid, van het Bbp luidt als volgt:

De ambtenaar van wie de bezoldiging voldoet aan de volgende voorwaarden, wordt een aflopende toelage toegekend:

a. de bezoldiging van de betreffende ambtenaar heeft als gevolg van het beëindigen of verminderen van de operationele toelage een blijvende of tijdelijke verlaging ondergaan;

b. het gemiddelde bedrag dat de ambtenaar aan operationele toelage heeft genoten in de twaalf maanden voorafgaande aan de verlaging bedraagt ten minste 3% van het salaris van de ambtenaar in de nieuwe situatie op het moment dat de verlaging ingaat;

c. de ambtenaar heeft, tenzij sprake is van een tijdelijke verlaging van de bezoldiging als bedoeld onder a, direct voorafgaande aan het tijdstip van de beëindiging of de vermindering de operationele toelage gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijk onderbreking genoten; en

d. het beëindigen of verminderen van de operationele toelage, bedoeld onder a, is veroorzaakt buiten toedoen van de betrokken ambtenaar zelf, tenzij de vermindering het gevolg is van een verplaatsing of wijziging van de plaats van tewerkstelling op eigen verzoek, dan wel een aanstelling bij een ander korps ten behoeve van het uitoefenen van een functie bij een bovenregionale samenwerkingsvoorziening.

4.2. De Raad stelt vast dat betrokkene voldoet aan de in artikel 15, eerste lid, van het Bbp gestelde voorwaarden. Het oordeel van de rechtbank wordt gedeeld, dat uit de onder c gestelde voorwaarde niet kan worden afgeleid dat de periode van ten minste twee jaren waarin de operationele toelage reeds genoten is geheel bij hetzelfde politiekorps moet zijn doorgebracht om voor de toelage in aanmerking te komen. Wat betreft de passage uit de circulaire over het Akkoord waarop de korpschef zich heeft beroepen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat - daargelaten of bij circulaire een beperkende interpretatie kan worden gegeven van het Bbp of van genoemd Akkoord - in ieder geval hier niet sprake is van de situatie dat een politieambtenaar wordt aangesteld in een ander korps. De afdeling [naam afdeling] valt immers onder het KLPD. De Raad merkt daarbij nog op dat voor zover aan bedoelde passage al zelfstandige betekenis kan toekomen, die betekenis hooguit daarin zou kunnen liggen dat geen aanspraak bestaat op de aflopende toelage in gevallen waarin de sollicitatie en aanstelling bij een ander korps direct tot gevolg heeft dat de operationele toelage wordt beëindigd of verminderd, omdat aan de nieuwe functie geen operationele toelage meer is verbonden. In het geval van betrokkene had de eerdere overgang van politieregio naar KLPD geen verlies van de operationele toelage tot gevolg, zodat de passage reeds daarom niet van betekenis is voor de aanspraak van betrokkene.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze vergoeding wordt vastgesteld op € 944,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 454,- wordt geheven;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag

van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.R. Schuurman

HD