Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11/3958 WWB + 11/3960 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1149, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Gezamenlijke huishouding met zus in dezelfde woning. Terugvordering voorschot. Aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Er is sprake van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen appellante en haar zus, aangezien de zus van appellante niet alleen de woonlasten en daarmee samenhangende kosten betaalde, maar ook de gezamenlijke boodschappen en de verzekeringen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar rugklachten blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren, omdat zij was aangewezen op intensieve zorg door haar zus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3958 WWB, 11/3960 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 mei 2011, 10/358 en 10/426 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 26 maart 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 18 november 2009 heeft appellante zich gemeld om op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen. Bij die gelegenheid heeft appellante verklaard dat zij sinds 13 november 2009 inwoont bij haar zus, maar dat het huurcontract van deze woning sinds 2005 op haar naam staat en dat ook hun broer op hetzelfde adres staat ingeschreven maar daar feitelijk niet woont. Bij besluit van 17 december 2009 heeft het college aan appellante een voorschot verleend van € 850,-- in de vorm van een renteloze geldlening. Naar aanleiding van haar aanvraag heeft de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Enschede (DMO) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de DMO op 6 januari 2010 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante. Tijdens dat huisbezoek heeft de DMO de door appellante ingevulde checklist gezamenlijke huishouding (checklist) met haar doorgenomen en heeft appellante de checklist ondertekend. In de bevindingen van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 7 januari 2010 de aanvraag van appellante af te wijzen op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar zus. Bij besluit van 12 februari 2010 heeft het college het aan appellante verleende voorschot van € 850,-- teruggevorderd op de grond dat haar aanvraag om bijstand is afgewezen.

1.2. Bij besluit van 9 maart 2010 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2010 ongegrond verklaard. Bij besluit van 1 april 2010 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit I

4.1. De door de Raad te beoordelen periode strekt zich uit van 18 november 2009 tot en met 7 januari 2010.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van hen sprake is van zorgbehoefte. Het derde lid van artikel 3 van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding, dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Niet in geding is dat appellante en haar zus hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5. Appellante heeft aangevoerd dat om de volgende redenen niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. De financiële verstrengeling beperkt zich tot het delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Daarnaast blijkt de wederzijdse zorg ook niet uit andere feiten of omstandigheden. Appellante en haar zus zouden elkaar ook bij ziekte verzorgen indien er geen sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf en ook dan zouden ze samen naar verjaardagen en op bezoek bij familie gaan. Uit de door appellante ingevulde checklist gezamenlijke huishouding volgt dat er enkel zorg door haar zus aan appellante wordt geboden. Als er al zorg door appellante aan haar zus wordt geboden, dan is deze, gezien de omvang en invulling daarvan, niet noemenswaardig te achten.

4.6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Er is sprake van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen appellante en haar zus, aangezien de zus van appellante ten tijde in geding niet alleen de woonlasten en daarmee samenhangende kosten betaalde, maar ook de gezamenlijke boodschappen en de verzekeringen. Daarnaast staat het huurcontract van de woning sinds 2005 op naam van appellante en maken appellante en haar zus gebruik van de gehele woning, met uitzondering van hun eigen slaapkamers, en maakt haar zus gebruik van de inboedel van appellante. Bovendien verrichten appellante en haar zus beiden klusjes in de woning en verzorgen zij elkaar bij ziekte. Deze feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke, verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden en wijzen uit dat appellante en haar zus ten tijde van belang er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.7. Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat appellante in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met haar zus, aangezien haar woon- en leefsituatie in die periode niet wezenlijk verschilde van die in 2006 en 2007 en het college toen niet heeft aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en haar zus.

4.8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.6 volgt immers dat in de te beoordelen periode was voldaan aan de beide in artikel 3, derde lid, van de WWB genoemde criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Zo al zou moeten worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie van appellante gelijk is aan die in 2006 en 2007, dan is het college niet gebonden aan eerdere beoordelingen van haar woon- en leefsituatie.

4.9. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat bij haar sprake is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Zij wijst er in dit verband op, onder verwijzing naar een haar gerichte brief van Het Roessingh van 14 december 2009, dat zij in verband met pijnrevalidatie op de wachtlijst stond om te worden opgenomen bij Het Roessingh en dat dit een instelling is als bedoeld in de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Volgens appellante had het college nader medisch onderzoek moeten laten verrichten naar haar zorgbehoefte.

4.10. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 27 juli 2011, LJN BR3329), is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB sprake indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende redenen van heeft afgezien of op een wachtlijst daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte indien de betrokkene vanwege ziekte of één of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren omdat hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen. Het is aan appellante om aannemelijk te maken dat in haar geval sprake is van een zorgbehoefte. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 juli 2011, LJN BR3329.

4.11. Uit de door appellante overgelegde brief van Het Roessingh van 14 december 2009 blijkt slechts dat appellante, vanwege haar rugklachten, op de wachtlijst is geplaatst voor een intakeprocedure voor (pijn)revalidatie. Daarmee heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar rugklachten blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren, omdat zij was aangewezen op intensieve zorg door haar zus. In de enkele brief van Het Roessingh van 14 december 2009 hoefde het college geen aanleiding te zien nader onderzoek te verrichten naar een eventuele zorgbehoefte van appellante.

4.12. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder a, en 3, derde lid, van de WWB, omdat haar broer eveneens zijn hoofdverblijf had op haar adres. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft bij haar aanvraag om bijstand zelf opgegeven dat zij samenwoont met haar zus en dat haar broer weliswaar op hetzelfde adres staat ingeschreven maar daar feitelijk niet verblijft. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze opgave voor de te beoordelen periode feitelijk onjuist was.

4.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat appellante en haar zus op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB in de te beoordelen periode als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante gedurende deze periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, zodat het college haar aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen.

Bestreden besluit II

4.14. Tegen de terugvordering van het voorschot heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.15. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding.

HD