Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
12-4710 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening van voorschotten met de toegekende bijstandsuitkering. Appellante is erop gewezen dat, indien recht op bijstand blijkt te bestaan, het voorschot met de uitkering zal worden verrekend. Appellante diende er daarbij rekening mee te houden dat deze verrekening op korte termijn zou plaatsvinden. Het college heeft gebruik mogen maken van de hem op grond van artikel 52, vierde lid, van de WWB bekomende bevoegdheid tot het verrekenen van dit voorschot met de aan appellante over mei 2011 toegekende bijstand. Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde regels over de beslagvrije voet op deze verrekening dienen te worden toegepast. Met deze verrekening wordt immers niets van appellante (in-)gevorderd, doch slechts niet nogmaals uitbetaald hetgeen haar rechtens toekomt en door haar reeds is ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4710 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 juli 2012, 12/17 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 9 maart 2011 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen en het voorschot van € 100,-- dat appellante op 21 april 2011 heeft ontvangen, teruggevorderd.

1.2. Appellante heeft op 3 mei 2011 opnieuw een aanvraag om bijstand op grond van de WWB ingediend. Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het college in verband met deze aanvraag een voorschot aan appellante toegekend van € 800,--. Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college voorts appellante met ingang van 3 mei 2011 bijstand toegekend en de aan haar verstrekte voorschotten ter hoogte van in totaal € 900,-- met deze uitkering verrekend.

1.3. Bij besluit van 29 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2011, voor zover dat ziet op de verrekening van de toegekende voorschotten, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de aan haar verstrekte voorschotten niet in één maand mochten worden verrekend met de aan haar toegekende uitkering. Daarbij is namelijk geen rekening gehouden met de beslagvrije voet, terwijl het voorschot van € 800,--, zoals de rechtbank heeft vermeld, geen fraudevordering betreft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 52, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college bij wijze van voorschot bijstand verleent in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op bijstand niet is vastgesteld. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat, indien bijstand wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende kan worden verrekend.

4.2. Artikel 60, derde lid, van de WWB bepaalt dat indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB worden teruggevorderd algemene bijstand ontvangt, het college bevoegd is tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand.

4.3. Niet in geschil is dat het college met toepassing van de onder 4.1 en 4.2 genoemde bepalingen bevoegd is de aan appellante verstrekte voorschotten te verrekenen met de aan haar verstrekte bijstand. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college van deze bevoegdheid gebruik mocht maken door beide voorschotten te verrekenen met de bijstand over mei 2011.

4.4. Met het besluit van 29 april 2011 heeft het college het voorschot van € 100,-- teruggevorderd. Appellante had over de periode van 3 mei 2011 tot en met 31 mei 2011 recht op bijstand ter hoogte van € 1.106,18. Niet in geschil is dat na berekening van de beslagvrije voet over deze periode een aflossingsruimte van € 110,62 bestond. Derhalve heeft het college niet in strijd met bepalingen ter bescherming van debiteuren gebruik gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 60, derde lid, van de WWB tot het verrekenen van het teruggevorderde voorschot van € 100,-- met de aan appellante over deze periode toegekende uitkering.

4.5. Na haar aanvraag op 3 mei 2011 heeft appellante het college op 10 juni 2011 om een voorschot verzocht. Het college heeft appellante in verband met deze aanvraag een voorschot van € 800,-- op haar bijstand over mei 2011 toegekend. Daarbij is appellante erop gewezen dat, indien recht op bijstand blijkt te bestaan, het voorschot met de uitkering zal worden verrekend. Appellante diende er daarbij rekening mee te houden dat deze verrekening op korte termijn zou plaatsvinden. Het college heeft gebruik mogen maken van de hem op grond van artikel 52, vierde lid, van de WWB bekomende bevoegdheid tot het verrekenen van dit voorschot met de aan appellante over mei 2011 toegekende bijstand. Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde regels over de beslagvrije voet op deze verrekening dienen te worden toegepast. Met deze verrekening wordt immers niets van appellante (in-)gevorderd, doch slechts niet nogmaals uitbetaald hetgeen haar rechtens toekomt en door haar reeds is ontvangen.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking. Er is daarom geen grond voor het toekennen van vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om toekenning van vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD