Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11-857 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding van de restantvordering. Appellante heeft niet voldaan aan de in de Beleidsregels opgenomen voorwaarde dat zij gedurende vijf jaren volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/857 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 december 2010, 10/1943 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rheden (college)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Schadd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Voor appellante is mr. Schadd verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Geerdink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 7 oktober 1999 heeft het college de aan appellante verleende uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers over de periode van 3 januari 1992 tot en met 31 oktober 1995 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van fl. 34.881,50. Bij besluit van 14 maart 2001 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 oktober 1999 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 14 maart 2001 heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.2.1. Het college heeft op basis van de door appellante verstrekte financiële inlichtingen het op de vordering af te lossen bedrag met ingang van juni 2002 vastgesteld op € 93,83 per maand en, na een nieuwe berekening, met ingang van 1 december 2002 op € 55,06 per maand. Appellante heeft niet aan deze aflossingsverplichting voldaan. Ter bepaling van de hoogte van het aflossingsbedrag heeft het college appellante bij brief van 25 februari 2004 verzocht inzicht te geven in haar huidige financiële situatie. Appellante heeft niet aan dit verzoek voldaan. Omdat appellante niet uit eigen beweging aan haar verplichtingen tot terugbetaling voldeed en maandelijks beslag op haar loon niet mogelijk was, heeft het college onder de toenmalige werkgever van appellante van 2005 tot en met 2008 beslag gelegd op haar vakantiegeld.

1.2.2. Naar aanleiding van een begin januari 2009 ingediend verzoek om kwijtschelding heeft het college appellante bij brief van 12 januari 2009 verzocht om voor de beoordeling van dat verzoek noodzakelijke financiële gegevens over de jaren 2005 tot en met 2008 te verstrekken, in het bijzonder jaaropgaven, beschikkingen van de belastingdienst, inkomsten uit alimentatie en opgaven uit pensioenfondsen. Appellante heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. In verband met gestegen inkomsten uit arbeid heeft het college het loonbeslag met ingang van 15 juli 2009 gewijzigd in € 387,-- per maand.

1.2.3. Nadat appellante in augustus 2009 kenbaar had gemaakt dat zij als gevolg van het loonbeslag haar vaste lasten niet kon betalen, heeft zij, desverzocht, op 4 september 2009 inlichtingen over haar (huidige) financiële situatie verstrekt. Naar aanleiding van deze inlichtingen heeft het college het loonbeslag gewijzigd in € 88,90 per maand. In reactie op de daaropvolgende brief van appellante dat dit het probleem niet oplost, heeft het college appellante bij brief van 1 oktober 2009 meegedeeld dat met toepassing van artikel 12 van de Beleidsregels terugvordering WWB (Beleidsregels) kwijtschelding op dit moment aan de orde is als zij een bedrag van € 6.250,82 - de helft van de restantvordering - ineens aflost en voorts: “Er hoeft dan ook geen ‘eeuwig voortduren’ van een vordering te blijven bestaan indien iemand 5 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Een kwijtscheldingsverzoek kan vanaf juni 2010 worden ingediend”. Het college heeft het loonbeslag met ingang van 15 oktober 2009 gewijzigd in € 204,90 per maand.

1.3. Appellante heeft het college bij brief van 10 december 2009 verzocht om kwijtschelding van de restantvordering. Bij besluit van 27 januari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2010 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond, kort samengevat, dat appellante niet heeft voldaan aan de in de Beleidsregels opgenomen voorwaarde dat zij gedurende vijf jaren volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 58 van de Wet werk en bijstand kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van - verdere - terugvordering moet hierin besloten worden geacht.

4.2. Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college de Beleidsregels vastgesteld. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van de Beleidsregels kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af zien, indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. In de toelichting op deze bepaling heeft het college vermeld dat de bepalingen van artikel 78c van de Algemene bijstandswet (Abw) in beleidsregels ongewijzigd zijn overgenomen. Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw konden burgemeester en wethouders besluiten van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4.3. Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij op basis van de toepasselijke beleidsregels in ieder geval medio 2010 voor kwijtschelding in aanmerking komt. Zij wijst er in dit verband op dat zij sinds medio 2005 via loonbeslag aflost.

4.4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien en voor zover al kan worden aangenomen dat appellante vanaf mei 2005 door middel van loonbeslag volledig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, dan heeft zij in de periode van januari 2009 tot en met juni 2009 niet aan die verplichting voldaan. In die periode heeft appellante immers in het geheel niet afgelost. Dit betekent dat ten tijde van het bestreden besluit niet een aaneengesloten periode van vijf jaar gedurende welke volledig op de vordering is afgelost kan worden aangewezen. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 19 mei 2005, LJN AT5905, waarin hij heeft geoordeeld dat artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, welke bepaling ongewijzigd is overgenomen in artikel 12, aanhef en onder a, van de Beleidsregels, zo dient te worden gelezen dat sprake moet zijn van aflossing gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaren en dat in samentelling van twee of meer in het verleden gelegen periodes, om zo tot een periode van vijf jaar te komen, niet door de wetgever is voorzien.

4.5. Appellante heeft in de tweede plaats, onder verwijzing naar de in 1.2.3 genoemde brief van het college van 1 oktober 2009, een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Volgens appellante kon zij aan die brief de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat het college de restantvordering medio 2010 zou kwijtschelden.

4.6. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen, reeds omdat de in 1.2.3 geciteerde passage uit de brief van 1 oktober 2009 niet kan worden beschouwd als een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat het kwijtscheldingsverzoek van appellante van 10 december 2009 voor inwilliging in aanmerking komt.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin

HD