Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11-4018 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de melding heeft ingediend en dat hem dit te verwijten valt. Anders dan appellant stelt, heeft hij op 9 juli 2010 niet de voor de bijstandsverlening noodzakelijke gegevens ingeleverd. Deze gegevens zijn ten dele op 8 juli 2010 en voor het resterende deel tijdens het intakegesprek op 21 juli 2010 ingeleverd. Het college heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken om de bijstand met ingang van 9 juli 2010, de dag waarop appellant zich opnieuw bij het Uwv voor het aanvragen van bijstand heeft gemeld, toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4018 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 mei 2011, 10/1729 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venray (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. S. Smeets, advocaat, heeft zich gesteld als de opvolgend gemachtigde van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Namens appellant is

mr. A. Hollman, kantoorgenoot van mr. Smeets, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.P. Frenk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de uitkering van appellant ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 1 juni 2010 ingetrokken. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 1 juni 2010 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Tegen deze beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2. Op 25 juni 2010 heeft appellant een gesprek gehad met H. Theelen, werkcoach bij het Uwv WERKbedrijf in Venray. Gerapporteerd is dat appellant, hoewel duidelijk was dat hij geen recht heeft op een WW-uitkering, geen aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) wilde doen. Nadat op 29 juni 2010 een hoorzitting inzake het bezwaar tegen de intrekking van de WIA-uitkering had plaatsgevonden, heeft appellant op 30 juni 2010 een vervolggesprek gehad met Theelen en toen kenbaar gemaakt dat hij toch een beroep op de WWB wilde doen. Na deze melding is appellant door een consulente van de afdeling Maatschappelijke Diensten van de gemeente Venray bij brief van 30 juni 2010 uitgenodigd voor een intakegesprek op 6 juli 2010. In de uitnodigingsbrief is aangegeven welke gegevens appellant mee dient te nemen en dat hij tijdig telefonisch contact dient op te nemen als hij niet over alle gevraagde gegevens beschikt om een nieuwe afspraak te maken. Appellant is op

6 juli 2010 zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen. Op 8 juli 2010 heeft appellant een deel van de gevraagde gegevens ingeleverd en heeft hij de consulente telefonisch laten weten dat hij nog niet alle gegevens compleet had. Op 9 juli 2010 heeft appellant zich weer bij het Uwv gemeld voor het aanvragen van bijstand. Tijdens een intakegesprek op 21 juli 2010 heeft appellant de aanvraag voor algemene bijstand ingevolge de WWB ingediend en daarbij 1 juni 2010 als de beoogde ingangsdatum van de bijstand opgegeven.

1.3. Bij besluit van 29 juli 2010 heeft het college aan appellant met ingang van 9 juli 2010 bijstand toegekend en geweigerd bijstand te verlenen over de periode van 1 juni 2010 tot

9 juli 2010. Bij besluit van 9 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2010 inzake de weigering van bijstand over genoemde periode ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant is primair van mening dat het college aan hem met ingang van 1 juni 2010 of 25 juni 2010 bijstand had moeten verlenen. Naar de mening van appellant is het college tekortgeschoten door hem niet te wijzen op de gevolgen om op 25 juni 2010 geen aanvraag in te dienen. Appellant zou op die datum bijstand hebben aangevraagd als hij goed was geïnformeerd. Het subsidiaire standpunt van appellant is dat de bijstand met ingang van 30 juni 2010 moet worden toegekend, aangezien hij zich op die datum opnieuw heeft gemeld voor bijstand. Door het inleveren van gegevens op 9 juli 2010 is volgens appellant voldaan aan het vereiste dat de aanvraag zo spoedig mogelijk moet worden ingediend nadat de melding heeft plaatsgevonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij het Uwv of bij het college van burgemeester en wethouders kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 2 oktober 2012, LJN BX9088) verliest een melding als bedoeld in artikel 44 van de WWB haar betekenis voor de ingangsdatum van de algemene bijstand, indien de betrokkene uitdrukkelijk en zonder voorbehoud met betrekking tot die melding heeft meegedeeld geen aanvraag te zullen indienen. Niet is in geschil dat appellant zich op 25 juni 2010 bij het Uwv heeft gemeld en dat hij toen nog geen aanvraag om bijstand wilde indienen, omdat appellant, zoals ter zitting is aangevoerd, van mening was dat hij recht had op een WW-uitkering. De vraag of appellant tijdens het gesprek op 25 juni 2010 ten onrechte niet is geïnformeerd wat de gevolgen zijn als hij geen aanvraag om bijstand indient, kan in het midden blijven. In het in 1.1 vermelde besluit van het Uwv van 24 juni 2010 is appellant geattendeerd op een mogelijk recht op bijstand en is hij geadviseerd zo snel mogelijk hiernaar bij het Uwv WERKbedrijf te informeren. Appellant heeft dit advies ter harte genomen door zich op 25 juni 2010 te wenden tot het Uwv WERKbedrijf. Het had op de weg van appellant gelegen om tijdens het gesprek op 25 juni 2010 navraag te doen wat de gevolgen zijn om (nog) geen aanvraag in te dienen. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat hij niet in staat was om zich voldoende te laten voorlichten. Daarbij wordt opgemerkt dat appellant zich in staat achtte om zijn belangen te behartigen, zoals kan worden afgeleid uit de bezwaren die hij heeft gemaakt tegen de in 1.1 genoemde besluiten van het Uwv. Voorts is niet gebleken van enige miscommunicatie, zoals ter zitting namens appellant is aangevoerd.

4.3. Na de melding op 30 juni 2010 is appellant in de gelegenheid gesteld op 7 juli 2010 de aanvraag in te dienen. Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, omdat hij, naar zijn zeggen, op die datum nog niet beschikte over alle noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellant heeft evenwel niet duidelijk gemaakt over welke gegevens hij na ontvangst van de brief van 30 juni 2010 niet beschikte en ook niet kon beschikken. Voorts staat vast dat appellant niet tijdig met de consulente contact heeft opgenomen om een nieuwe afspraak te maken. Onder deze omstandigheden heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de melding heeft ingediend en dat hem dit te verwijten valt. Anders dan appellant stelt, heeft hij op 9 juli 2010 niet de voor de bijstandsverlening noodzakelijke gegevens ingeleverd. Deze gegevens zijn ten dele op 8 juli 2010 en voor het resterende deel tijdens het intakegesprek op 21 juli 2010 ingeleverd. Het college heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken om de bijstand met ingang van 9 juli 2010, de dag waarop appellant zich opnieuw bij het Uwv voor het aanvragen van bijstand heeft gemeld, toe te kennen.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit brengt tevens mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD