Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11/6436 WWB + 11/6437 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij niet konden beschikken over het geleende bedrag van TL 50.000,--. Ook in hoger beroep hebben zij niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat en, zo ja, waaraan dat bedrag is besteed. Appellanten hebben onvoldoende onderbouwd dat zij bij hun familieleden reële schulden hebben waaraan een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden. De door appellanten genoemde redenen dat de gestelde leningen niet op papier zijn gezet, leiden er niet toe dat kan worden aangenomen dat sprake is van schulden waarmee in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving rekening moet worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6436 WWB, 11/6437 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 oktober 2011, 11/3871 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Aksözek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aksözek. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 1988 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een met appellante op 16 september 2008 gevoerd gesprek waarin zij, voor zover van belang, heeft verklaard dat appellant een huis in Turkije op zijn naam heeft staan, hij deze woning in 1987 voor DM 15.000,-- heeft gekocht en de huidige waarde hiervan € 3.000,-- bedraagt, heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Ankara (Turkije) via het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellanten, in de vorm van onroerend goed in Turkije. Uit het door de ambassade ingestelde onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 10 februari 2009, komt naar voren dat appellant sinds 1982 in de wijk [naam wijk] in de gemeente [naam gemeente] een woning bezit, bestaande uit drie verdiepingen met appartementen (woning). Een plaatselijke makelaar heeft de waarde van de woning op 27 januari 2009 getaxeerd op, omgerekend, € 34.953,--. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft appellant tijdens een gesprek op 21 april 2011 onder meer verklaard dat hij alleen de begane grond van de woning bezit en dat anderen de tweede en derde etage van de woning bezitten.

1.3. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek heeft het college bij besluit van 6 juni 2011 de bijstand van appellanten met ingang van 27 januari 2009 ingetrokken op de grond dat hun vermogen meer bedraagt dan de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 11.110,--.

1.4. Bij besluit van 20 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2011 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat, ook als wordt uitgegaan van de juistheid van de in bezwaar overgelegde eigendomsakte, waaruit naar voren komt dat appellant voor een derde deel eigenaar is van de woning, het vermogen van appellanten boven de voor hen geldende vermogensgrens van € 11.110,-- ligt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Uit de door appellanten overgelegde eigendomsakte van de woning blijkt dat achter de aanduiding “eigenaar” naast de naam van appellant twee andere namen staan vermeld. Nu deze akte niet vermeldt in welke onderlinge verhouding de drie eigenaren de getaxeerde woning in eigendom hebben en het om drie gelijkwaardige etagewoningen gaat, bestaat aanleiding aan te nemen dat appellant voor een derde deel eigenaar is van deze woning. De taxatie is niet onjuist of onzorgvuldig tot stand gekomen, zodat wordt uitgegaan van de getaxeerde waarde van de woning van € 34.953,--. Dit betekent dat de waarde van het aandeel van appellant in de getaxeerde woning € 11.651,-- bedraagt. Wat betreft de door appellanten gestelde schuld van TL 50.000,-- uit twee leningen die zij zijn aangegaan, is onvoldoende gebleken dat appellanten in de in geding zijnde periode niet over dat bedrag hebben kunnen beschikken, omdat zij niet inzichtelijk hebben gemaakt dat en, zo ja, waaraan zij het geld hebben besteed. Appellanten hebben ten aanzien van de gestelde schulden bij familieleden onvoldoende onderbouwd dat het reële schulden betreft waaraan een terugbetalingsregeling is verbonden. Het college heeft met die gestelde schulden dan ook terecht geen rekening gehouden. Het stuk dat appellanten ter zitting van de rechtbank hebben overgelegd, biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, nu het hier een eigen verklaring van appellant betreft die niet is gedateerd of ondertekend en waaruit niet blijkt van enige terugbetalingsverplichting.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat appellanten in de periode in geding niet hebben kunnen beschikken over het bedrag van TL 50.000,-- dat zij van [O.] hebben geleend. Volgens appellanten heeft de rechtbank hen onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te bewijzen waaraan zij dat geld hebben besteed. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat zij bij verschillende familieleden schulden hebben waaraan een reële terugbetalingsverplichting is verbonden. Appellanten hebben er hierbij in de eerste plaats op gewezen dat zij analfabeet zijn en geen Nederlands spreken en dat dus van hen niet kan worden verwacht dat ze een schuldbekentenis of akte van geldlening opmaken. Voorts hebben appellanten er op gewezen dat volgens de Turkse traditie men geld uit eigen kring kan lenen, dat dit niet op schrift wordt gesteld en dat men het geleende geld op een gegeven moment moet terugbetalen. Daarnaast zijn zij door de rechtbank onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te bewijzen waaraan zij het geld van de lening ter hoogte van TL 50.000,-- hebben besteed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door aan het college geen opgave te doen van de woning in Turkije. Evenmin is in geschil dat appellant voor een derde deel eigenaar is van de woning. Ten slotte is niet in geschil dat, uitgaande van de op 27 januari 2009 getaxeerde waarde van de woning, appellanten in de periode in geding, die loopt van 27 januari 2009 tot en met 6 juni 2011, konden beschikken over een in de woning gebonden vermogen van € 11.651,-- en dat dit bedrag de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen overstijgt.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de periode in geding niet konden beschikken over het van [O.] geleende bedrag van TL 50.000,--. Ook in hoger beroep hebben zij niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat en, zo ja, waaraan dat bedrag is besteed. Zo al zou moeten worden aangenomen dat appellanten in beroep onvoldoende de gelegenheid hebben gehad om dergelijke gegevens in te dienen, dan hebben appellanten in ieder geval in hoger beroep ruimschoots de tijd gehad om hun stelling dat zij van genoemd bedrag TL 40.000,-- hebben besteed aan het onderhoud van hun woning en TL 10.000,-- aan levensonderhoud te onderbouwen met gegevens als hiervoor bedoeld. Appellanten hebben in hoger beroep echter geen enkel bewijsstuk daarvan overgelegd. Hieruit volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat ten tijde in geding tegenover de schuld van TL 50.000,-- een vermogenstoename tot datzelfde bedrag stond, zodat per saldo geen sprake was van een met het vermogen van € 11.651,-- te salderen schuld.

4.3. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust dat appellanten onvoldoende hebben onderbouwd dat zij bij hun familieleden [A.] en [K.] reële schulden hebben waaraan een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden. De door appellanten genoemde redenen dat de gestelde leningen niet op papier zijn gezet, leiden er niet toe dat kan worden aangenomen dat sprake is van schulden waarmee in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving rekening moet worden gehouden.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin

HD