Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11-3777 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand met 25% gedurende één maand. Op appellant rust de plicht het dagelijks bestuur direct op de hoogte te brengen van het vertrek van zijn zoon. Schending inlichtingenverplichting. De gestelde, niet onderbouwde, psychische problemen en schuldenproblematiek van appellant vormen geen dringende redenen om van de opgelegde maatregel af te zien. Nu de opgelegde maatregel, 25% van de norm, is gebaseerd op een onjuist benadelingsbedrag, moet geconstateerd worden dat de maatregel niet in overeenstemming met artikel 5 van de Afstemmingsverordening is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3777 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 mei 2011, 10/279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Walcheren (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het dagelijks bestuur een nadere toelichting gegeven, waarop mr. Wittensleger een reactie heeft gegeven.

De zaak is ter zitting van 26 maart 2013 aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt met ingang van 2 februari 2008, met onderbreking, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), vanaf 2 maart 2009 naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 4 november 2009 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant over de periode van 14 augustus 2009 tot en met 30 september 2009 herzien naar de norm voor een alleenstaande, de teveel betaalde bijstand over die periode tot een bedrag van € 603,25 teruggevorderd en de bijstand met ingang van 1 december 2009 verlaagd met 25% gedurende een maand. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet tijdig te melden dat zijn zoon sinds 14 augustus 2009 niet langer woonachtig is bij hem.

1.3. Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2009 ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 23 februari 2010 ingetrokken en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2009 opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen besluit van 23 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 15 juni 2010 ongegrond verklaard en het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 437,--.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt, onder verwijzing naar de rapportage van Psychologenbureau Boluijt van 19 januari 2010, dat hem verweten kan worden niet tijdig te hebben doorgegeven dat zijn zoon niet meer bij hem woonde. Voorts is appellant van mening dat gelet op zijn persoonlijke omstandigheden het dagelijks bestuur had moeten afzien van het opleggen van een verlaging.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Appellant bestrijdt uitsluitend de verlaging van de bijstand met 25% gedurende één maand met ingang van 1 december 2009. Voor appellant moet het redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het vertrek van zijn zoon in augustus 2009 van invloed kan zijn op het recht van bijstand, temeer nu naar aanleiding van de komst van zijn zoon de bijstand van appellant in maart 2009 is verhoogd. Op appellant rust dan ook de plicht het dagelijks bestuur direct op de hoogte te brengen van het vertrek van zijn zoon. Dat is niet gebeurd. De rechtbank heeft het dagelijks bestuur dan ook terecht gevolgd in zijn standpunt dat de inlichtingenverplichting is geschonden.

4.3. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB - voor zover hier van belang - verlaagt het dagelijks bestuur overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening Sociale Dienst Walcheren (Afstemmingsverordening).

4.5. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, van de WWB is voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer in dat artikellid bedoelde verplichtingen. Gelet op hetgeen hierboven onder 4.2 is overwogen staat vast dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De gedingstukken waarvan met name de rapportage van psycholoog C. Coenen van 19 januari 2010, bieden geen grond voor het oordeel dat deze gedraging appellant niet zou kunnen worden verweten. Hieruit vloeit voort dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Afstemmingsverordening te verlagen. De gestelde, niet onderbouwde, psychische problemen en schuldenproblematiek van appellant vormen geen dringende redenen om van de opgelegde maatregel af te zien.

4.6. Artikel 5 van de Afstemmingsverordening ziet op het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten gevolge waarvan ten onrechte (te veel) bijstand wordt verstrekt. Tevens wordt in artikel 5 van de Afstemmingsverordening op basis van het benadelingsbedrag de omvang van de verlaging nader bepaald.

4.7. In hoger beroep heeft het dagelijks bestuur desgevraagd opgegeven dat de vordering destijds op onjuiste wijze is vastgesteld en dat na herberekening het benadelingsbedrag kan worden vastgesteld op € 386,30 netto. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening dient als het benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 500,- de bijstand te worden verlaagd met 10% van de norm gedurende één maand. Nu de opgelegde maatregel, 25% van de norm, is gebaseerd op een onjuist benadelingsbedrag, moet geconstateerd worden dat de maatregel niet in overeenstemming met artikel 5 van de Afstemmingsverordening is opgelegd.

4.8. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 15 juni 2010 voor vernietiging in aanmerking komen en dat voldoende grond aanwezig is om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 4 november 2009, voor zover betrekking hebbende op de hoogte van de maatregel, te herroepen en te bepalen dat de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2009 met 10% wordt verlaagd voor de duur van één maand.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 472,- in beroep en € 472,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 944,-. Daarbij wordt aangetekend dat de rechtbank alleen een vergoeding heeft toegekend voor het beroepschrift en niet voor het verschijnen ter zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juni 2010 gegrond en vernietigt dat besluit voor

zover de maatregel is gesteld op 25%;

- bepaalt dat de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2009 voor de duur van één

maand wordt verlaagd met 10% en herroept het besluit van 4 november 2009 in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

15 juni 2010;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 944,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD