Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
06-05-2013
Zaaknummer
11-7451 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde TW-uitkering. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7451 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 17 november 2011, 10/1007 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A.C. Klein Hesselink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Namens appellant is mr. Klein Hesselink verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het Uwv de aan appellant toegekende toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) herzien en het teveel uitgekeerde over de periode van 18 juni 2007 tot en met 26 april 2009 van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant de verdiensten van zijn partner over de genoemde periode, die van invloed zijn op de hoogte van de toeslag, niet op de werkbriefjes/inkomstenformulieren heeft vermeld. Appellant had hierdoor geen recht op de volledige toeslag.

1.2. Het tegen het besluit van 16 maart 2010 gemaakte bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat hij door zijn toedoen een te hoog bedrag aan uitkering op grond van de TW heeft ontvangen. Gelet daarop is de toeslag terecht met terugwerkende kracht herzien en was het Uwv gehouden om tot terugvordering van de uitkering over te gaan.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat hij de inkomsten van zijn partner telkens aan het Uwv had moeten opgeven. Hij had de eerste maand waarover hij toeslag kreeg de inkomsten van zijn vrouw aan het Uwv doorgegeven en meegedeeld dat zij de maand daarna geen inkomsten had. Appellant meende dat hij hiermee voldoende informatie aan het Uwv had verschaft. Bovendien wist hij niet hoe de toeslag precies werd berekend door het Uwv en op welke wijze daarbij met de inkomsten van zijn vrouw rekening werd gehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant over de periode van 18 juni 2007 tot en met 26 april 2009 een te hoge TW-uitkering heeft ontvangen.

4.2. Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat hij niet opzettelijk de inkomsten van zijn vrouw niet heeft opgegeven aan het Uwv. Voor zover appellant daarmee heeft willen betogen dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, volgt de Raad dit betoog niet. Ook indien appellant niet de opzet heeft gehad de aangehaalde inkomsten voor het Uwv te verzwijgen, kan van schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn.

4.3. Op grond van artikel 11a, eerste lid, onder a, van de TW - voor zover hier van belang - herziet het Uwv de toeslag indien deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van artikel 20 van de TW wordt de toeslag, die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a onverschuldigd is uitbetaald, door het Uwv teruggevorderd.

4.4. Voor de toepassing van het voornoemde artikel 11a van de TW hanteert het Uwv de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (beleid).

4.5. Artikel 3, tweede lid, van het beleid - voor zover hier van belang - bepaalt dat indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, de uitkering wordt herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan.

4.6. Het beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals bijvoorbeeld neergelegd in de uitspraak van 19 augustus 2011, LJN BR5375, dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.7. Het beleid is in het geval van appellant op consistente wijze toegepast. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant er in het toekenningsbesluit van 23 april 2007, dat in rechte vaststaat, op is gewezen dat bij de berekening van de toeslag nog geen rekening is gehouden met de inkomsten van zijn partner omdat deze inkomsten variabel zijn. De hoogte van de toeslag zal per betaalperiode opnieuw berekend worden. Voorts heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zodra er iets in zijn situatie of in zijn inkomen of dat van zijn partner verandert, hij dit direct aan het Uwv moet doorgeven op het werkbriefje. Nu appellant in strijd met deze inlichtingenplicht deze inkomsten over de in 4.1 genoemde periode niet heeft opgegeven aan het Uwv staat vast dat hierdoor een te hoog bedrag aan uitkering is verstrekt. De rechtbank is derhalve met juistheid tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht de TW-uitkering heeft herzien en was gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet is gebleken.

4.8. Het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 20 mei 2009, LJN BI5354, kan hem niet baten nu in het onderhavige geval, anders dan in de genoemde uitspraak, expliciet sprake is van (een verweten) schending van de inlichtingenverplichting en daarmee van toepassing van artikel 3, tweede lid, van het beleid.

4.9. Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. Heeremans