Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
11-3601 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding. Evenmin kan de omstandigheid dat de beslissing ingrijpend van aard is en de termijnoverschrijding relatief gering, in samenhang met mogelijk ontstane verwarring, leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Binnen het kader van artikel 6:11 van de Awb bestaat voor een dergelijke belangenafweging, zo heeft appellant terecht aangevoerd, geen ruimte. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/210
AB 2013/190 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3601 WWB, 11/6579 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2011, 11/1013 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nader besluit van 22 juli 2011 ingezonden.

Namens betrokkene heeft mr. W.H. Boomstra een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende beroepsgronden tegen het nadere besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort. Voor betrokkene is mr. Boomstra verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving sinds 17 juli 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft betrokkene als dakloze geregistreerd en hem met ingang van 8 december 2008 een postadres aan het [adres] te [woonplaats] ter beschikking gesteld.

1.2. Naar aanleiding van een aantal meldingen, onder meer met de inhoud dat betrokkene doet alsof hij dakloos is, maar bij zijn ouders in Rijswijk woont en zwart werkt in een vleeshandel, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapportage van 30 november 2010, waren voor appellant aanleiding om bij betrokkene nadere informatie op te vragen.

1.3. Bij besluit van 3 december 2010 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 18 (lees:17) juli 2008 ingetrokken op de grond dat betrokkene heeft verzuimd de gevraagde informatie te verstrekken als gevolg waarvan appellant het recht op bijstand niet kan vaststellen.

1.4. Appellant heeft de beschikbaarheid van het postadres aan het [adres] bij besluit van gelijke datum beëindigd. Daarbij heeft appellant betrokkene in de gelegenheid gesteld nog gedurende een maand zijn post op te halen. Niet opgehaalde post gaat daarna terug naar de afzender.

1.5. Bij besluit van 2 februari 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van 3 december 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene niet de hem op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekomende volle bezwaartermijn van zes weken is geboden, omdat hij na de opheffing van het postadres slechts vier weken had om de post op te halen. De rechtbank heeft verder geconcludeerd dat, gelet op de ter zitting overgelegde telefoonnotitie van 13 december 2010, door medewerkers van DWI verschillende mededelingen aan betrokkene zijn gedaan over het al dan niet stopzetten van diens bijstand, waardoor het niet onvoorstelbaar is dat bij betrokkene verwarring is ontstaan. Tegen de achtergrond van dit samenstel van omstandigheden, en in aanmerking genomen dat de beslissing van ingrijpende aard is en de termijnoverschrijding relatief kort, concludeert de rechtbank dat verweerder ten onrechte heeft beslist dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het de verantwoordelijkheid van betrokkene is om regelmatig zijn post op te halen. Het komt voor diens risico als hij door het later afhalen van zijn post minder tijd heeft om bezwaar te maken. Ditzelfde geldt voor iemand die een aangetekend poststuk niet meteen afhaalt. De post afkomstig van de DWI wordt na vier weken niet vernietigd, maar in het dossier gevoegd, zodat een belanghebbende deze ook na afloop van die termijn kan afhalen bij de DWI. Naar aanleiding van het telefonisch contact op 13 december 2010 had het betrokkene duidelijk moeten zijn dat hij zijn post moest ophalen. Bovendien had betrokkene als houder van een postadres de verplichting minimaal een maal per twee weken zijn post op te halen. Ten slotte voert appellant aan dat er geen ruimte is voor de belangenafweging die de rechtbank lijkt te hebben gemaakt met betrekking tot de ingrijpendheid van de beslissing en de relatief korte overschrijding van de bezwaartermijn.

3.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2010 bij besluit van 22 juli 2011 (nadere besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat betrokkene onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en financiële situatie als gevolg waarvan appellant het recht op bijstand niet kan vaststellen. De Raad zal het nadere besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij de beoordeling in het hoger beroep betrekken.

3.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene verzocht de behandeling van het nadere besluit naar de rechtbank te verwijzen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 3 december 2010, gedateerd 24 januari 2011, is op donderdag 25 januari 2011, dus na afloop van de bezwaartermijn, door de DWI ontvangen. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan niettemin achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. De in artikel 6:7 van de Awb gegeven bezwaartermijn van zes weken staat in zijn geheel ter beschikking van de belanghebbende die bezwaar wil maken. Het is daarbij de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende dat hij regelmatig zijn post ophaalt. Indien een belanghebbende dit nalaat, komt de omstandigheid dat hij niet meteen na verzending van het besluit daarvan kennis neemt, voor zijn risico. Daargelaten of in dit geval verwarring is ontstaan, zodanig dat betrokkene ervan mocht uitgaan dat zijn bijstand werd gecontinueerd, uit de telefoonnotitie van 13 december 2010 komt naar voren komt dat J. Luirink van de DWI betrokkene op die dag heeft gebeld met het verzoek om zijn post op te gaan halen. Dit heeft betrokkene toen niet gedaan. Dat komt voor zijn risico en betekent dat de termijnoverschrijding in zoverre niet verschoonbaar is. Evenmin kan de omstandigheid dat de beslissing ingrijpend van aard is en de termijnoverschrijding relatief gering, in samenhang met mogelijk ontstane verwarring, leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Binnen het kader van artikel 6:11 van de Awb bestaat voor een dergelijke belangenafweging, zo heeft appellant terecht aangevoerd, geen ruimte. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

4.4. Uit rechtsoverweging 4.3 volgt dat aan het nadere besluit de grondslag komt te ontvallen. Onder die omstandigheden bestaat geen aanleiding tot verwijzing. Dit besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

5.Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

- vernietigt het besluit van 22 juli 2011.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en Y. J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) B. Rikhof

HD