Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
09-5931 INBURG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging boete wegens het tweemaal geen gehoor geven aan een oproep van het college.

Raad: De stelling van appellante dat zij zich steeds heeft afgemeld voor de gemaakte afspraken kan - wat daarvan overigens ook zij - niet leiden tot de conclusie dat de boete ten onrechte is opgelegd. Ingevolge art. 29 van de Wi, gelezen in samenhang met art. 25, lid 2 en 4 van de Wi, wordt een boete opgelegd indien een persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, geen gehoor geeft aan de oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken die voor diens inburgeringsplichtigheid van belang zijn. Voor het opleggen van een boete is dus niet vereist dat men zich niet heeft afgemeld. De overtreding betreft immers het geen gehoor geven aan de oproep. Er is geen sprake van een situatie dat de overtreding niet aan appellante kan worden verweten, als bedoeld in art. 38, lid 1 van de Wi. Appellante heeft haar stelling dat zij op medische gronden niet in staat is geweest om aan de oproepen gehoor te geven, niet aannemelijk gemaakt. De enkele verklaring van de huisarts, die inhoudt dat appellante depressief is, is daarvoor onvoldoende. Zij heeft bovendien niet meegewerkt aan een door het college geïnitieerd medisch onderzoek naar aanleiding van deze brief van de huisarts. Voorts is van belang dat appellante naar eigen stellen wel in staat was om regelmatig de huisarts te bezoeken.

Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Wet inburgering 25, geldigheid: 2013-04-17
Wet inburgering 25, geldigheid: 2013-04-17
Wet inburgering 29, geldigheid: 2013-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5931 INBURG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 augustus 2009, 08/9112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Namens appellante is verschenen mr. A. Jankie, advocaat. Het college heeft zich, na bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1965, heeft de Marokkaanse nationaliteit en woont sinds 1999 in Nederland.

1.2. Bij besluit van 15 december 2003 heeft de Commissie Sociale Zekerheid appellante meegedeeld dat de rechten en plichten in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) niet langer op appellante van toepassing zijn.

1.3. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet inburgering (Wi) op 1 januari 2007 heeft het college appellante bij brief van 27 februari 2008 uitgenodigd voor een inburgeringsonderzoek op 11 maart 2008 en daarbij vermeld dat appellante verplicht is om op de afspraak te komen. Naar aanleiding van de afmelding van appellante heeft het college haar bij brief van 27 maart 2008 geïnformeerd dat er een nieuwe afspraak is gemaakt voor een inburgeringsonderzoek op 8 april 2008. Daarbij is vermeld dat appellante verplicht is om op de afspraak te komen en dat zij, wanneer zij niet op deze afspraak komt, een boete krijgt. Appellante is ook op deze datum niet verschenen.

1.4. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college appellante op grond van artikel 29 van de Wi een boete opgelegd van € 126,03 wegens het tweemaal geen gehoor geven aan een oproep van het college.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juli 2008. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij als gevolg van ziekte niet in staat was aan het onderzoek deel te nemen. Daarbij heeft zij een brief van haar huisarts F. Otaredian van 9 juli 2008 overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft het college de GGD Den Haag verzocht een medisch onderzoek in te stellen. Bij brief van 21 oktober 2008 heeft de GGD het college bericht de aanvraag te hebben laten vervallen omdat appellante na een oproep niet is verschenen zonder de afspraak af te zeggen.

1.6. Bij besluit van 7 november 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Op grond van het feit dat appellante niet heeft meegewerkt aan het ondergaan van een medische keuring, heeft zij door eigen toedoen de kans gemist om haar stelling dat zij een te slechte gezondheid heeft om aan inburgeringsonderzoeken deel te nemen, te onderbouwen. Dit risico is voor rekening van appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante met haar stelling dat haar gezondheidssituatie zich verzet tegen deelname aan het inburgeringsprogramma, een beroep heeft gedaan op artikel 6 van de Wi, welk beroep naar het oordeel van de rechtbank niet kan slagen. Voorts heeft de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak een oordeel gegeven over een beroep van appellante op ontheffing van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6 van de Wi, terwijl het college daarover in het bestreden besluit geen beslissing had genomen. Daarmee heeft zij

- in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - de omvang van het geding niet juist vastgesteld. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit zal beoordelen.

4.2.1. Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Wi, zoals dat luidde ten tijde in geding, kan het college een persoon ten aanzien van wie het op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, oproepen om te verschijnen en gegevens te verstrekken die voor diens inburgeringsplichtigheid van belang zijn. Ingevolge het vierde lid geeft de in het tweede lid bedoelde persoon gehoor aan de oproep en verleent medewerking aan het onderzoek.

4.2.2. Ingevolge artikel 29 van de Wi, zoals dat luidde ten tijde in geding, legt het college een bestuurlijke boete op indien de krachtens artikel 25 tweede lid opgeroepen persoon handelt in strijd met artikel 25, vierde lid.

4.2.3. Ingevolge artikel 35 van de Wi, zoals dat luidde ten tijde in geding, stelt de gemeenteraad bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

4.2.4. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wi, zoals dat luidde ten tijde in geding, legt het college geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

4.2.5. Artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening wet inburgering gemeente Den Haag bepaalt dat het college de inburgeringsplichtige een bestuurlijke boete oplegt ten bedrage van 10% van de voor de inburgeringsplichtige vastgestelde bijstandsnorm voor de duur van een maand indien de inburgeringsplichtige geen gehoor geeft aan de oproep van het college bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet.

4.3. De stelling van appellante dat zij zich steeds heeft afgemeld voor de gemaakte afspraken kan - wat daarvan overigens ook zij - niet leiden tot de conclusie dat de boete ten onrechte is opgelegd. Ingevolge artikel 29 van de Wi, gelezen in samenhang met artikel 25, tweede en vierde lid, van de Wi, wordt een boete opgelegd indien een persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, geen gehoor geeft aan de oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken die voor diens inburgeringsplichtigheid van belang zijn. Voor het opleggen van een boete is dus niet vereist dat men zich niet heeft afgemeld. De overtreding betreft immers het geen gehoor geven aan de oproep.

4.4. Er is geen sprake van een situatie dat de overtreding niet aan appellante kan worden verweten, als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wi. Appellante heeft haar stelling dat zij op medische gronden niet in staat is geweest om aan de oproepen gehoor te geven, niet aannemelijk gemaakt. De enkele verklaring van de huisarts van 9 juli 2008, die inhoudt dat appellante depressief is, is daarvoor onvoldoende. Zij heeft bovendien niet meegewerkt aan een door het college geïnitieerd medisch onderzoek naar aanleiding van deze brief van de huisarts. Voorts is van belang dat appellante naar eigen stellen wel in staat was om regelmatig de huisarts te bezoeken.

4.5. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan, nu de Commissie Sociale Zekerheid in de brief van 15 december 2003 geen toezegging heeft gedaan omtrent de verplichting om te verschijnen op een oproep in het kader van de Wi.

4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep ongegrond;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 944,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) P.J.M. Crombach

TM