Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
12-1576 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum toeslag. Gezamenlijke huishouding met een meerderjarige. Geen sprake van verschoonbare onbekendheid. Geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1576 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2012, 11/4681 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013. Namens appellante zijn daarbij verschenen mr. P.A. van Enckevort, advocaat, en de zoon van appellante D. el Abdellaoui. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is [in] 1922 geboren, woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Svb heeft bij besluit van 21 maart 1988 aan appellante een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat appellante ongehuwd was of voor de toepassing van de AOW als ongehuwd moet worden aangemerkt.

1.2. Na het overlijden van haar echtgenoot is haar kleinzoon [naam kleinzoon], geboren op

15 maart 1979, bij appellante komen wonen. De kleinzoon woont sindsdien bij appellante en verzorgt haar inmiddels. Op diverse door de Svb vanaf 2005 tot en met 2009 aan appellante gezonden inlichtingenformulieren heeft appellante niet gemeld dat zij samenwoont met haar kleinzoon. Bij de vraag of appellante met iemand samenwoont dan wel of er familieleden of andere personen bij haar wonen heeft appellante steeds niets ingevuld. Bij de vraag naar haar burgerlijke staat heeft appellante op die formulieren steeds ingevuld dat zij ongehuwd is en alleen woont.

1.3. In februari 2010 heeft een zoon van appellante telefonisch contact opgenomen met de Svb met het verzoek een toeslag aan haar toe te kennen. Vervolgens is een aanvraag om toekenning van een toeslag ingediend. Op het inlichtingenformulier dat appellante in juli 2010 aan de Svb heeft gezonden heeft zij vermeld dat zij samenwoont met haar kleinzoon.

1.4. Bij besluit van 21 september 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb na bezwaar zijn besluit van 31 maart 2011 gehandhaafd, waarbij het aan appellante toegekende ouderdomspensioen per februari 2009 is herzien naar het pensioen voor een gehuwde of een persoon die een gezamenlijke huishouding voert en per die datum tevens een volledige toeslag is toegekend aan appellante.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, gericht tegen de ingangsdatum van de toeslag, ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval, nu niet is komen vast te staan dat appellante buiten staat was tijdig een aanvraag in te dienen en niet gezegd kan worden dat de onbekendheid van appellante met de regelgeving ten aanzien van de toeslag verschoonbaar was.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat wel sprake is van een bijzonder geval, omdat de Svb niet op redelijke wijze kenbaarheid heeft gegeven aan de gewijzigde regelgeving ten aanzien van de toeslag voor inwonende bloedverwanten. Verder was het appellante als gevolg van een substantiële taalbarrière niet duidelijk dat het van belang was te melden dat zij samenwoonde met haar kleinzoon.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen in hoger beroep nog slechts in geschil is of de Svb met ingang van een eerder gelegen datum dan 1 februari 2009 een toeslag ingevolge de AOW aan appellante had moeten toekennen.

4.2. Op grond van artikel 16, tweede lid, eerste volzin van de AOW kan het ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan één jaar voor de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan de Svb hiervan afwijken. Volgens de in de rechtspraak aanvaarde uitleg van de Svb is onder meer sprake van een bijzonder geval:

- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op uitkering en deze onbekendheid verschoonbaar was.

4.3. De rechtbank heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellante buiten staat was tijdig een aanvraag in te dienen. Namens appellante is dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep niet aangevochten. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de aanvraag om een toeslag als gevolg van verschoonbare onbekendheid eerst in februari 2010 is ingediend.

4.4. Ten aanzien van de gestelde verschoonbare onbekendheid moet allereerst vastgesteld worden dat appellante de Svb voor 2010 kennelijk nooit heeft geïnformeerd over het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar kleinzoon. In ieder geval heeft appellante dit feit niet vermeld op de aan haar gezonden inlichtingenformulieren over de jaren 2005 tot en met 2009. Verder is niet gebleken dat zij dit feit op enig moment voordien heeft gemeld aan de Svb. Aldus heeft appellante de Svb de mogelijkheid ontnomen om haar veel eerder te informeren over de gevolgen van het voeren van een gezamenlijke huishouding voor haar aanspraak op een ouderdomspensioen en een toeslag. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het op de weg van appellante had gelegen zich tijdig op de hoogte te (laten) stellen van de geldende regelgeving ten aanzien van haar aanspraken ingevolge de AOW. Daarbij wordt erop gewezen dat vanaf het moment waarop de kleinzoon de meerderjarige leeftijd had bereikt de regeling in de AOW ten aanzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding met bloedverwanten niet is gewijzigd. Het gestelde feit dat appellante analfabeet is en de Nederlandse en Franse taal niet beheerst kan niet tot een ander oordeel leiden. Gegeven die situatie had appellante zich juist door anderen moeten laten informeren over de mogelijke gevolgen voor haar aanspraak op een ouderdomspensioen vanaf het moment dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met een meerderjarige. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, kan niet geconcludeerd worden dat sprake is geweest van verschoonbare onbekendheid. Aannemelijk is wel geworden dat appellante en haar familieleden onbekend waren met de aanspraak op een toeslag, maar volgens vaste rechtspraak levert alleen onbekendheid met de wettelijke regelingen geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) I.J. Penning

QH