Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
11-2086 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft onderzocht of er kan worden gesproken van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van werknemer. Het bestreden besluit berust op onvoldoende onderzoek en een gebrekkige motivering. de Raad ziet aanleiding om het Uwv opdracht te geven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij dient in ieder geval bij de behandelende sector geïnformeerd te worden naar het mogelijk resultaat van een op verbetering van de functionele mogelijkheden gerichte behandeling van werknemer, zulks mede bezien in het licht van de ernst van diens op zijn leeftijd recidiverende rugproblematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2086 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2011, 10/3409 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft voorts deelgenomen: [werknemer], wonende te [woonplaats] (werknemer).

Datum uitspraak: 24 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.F. Nieuwenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Werknemer heeft desgevraagd schriftelijk meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft hij toestemming gegeven om zijn medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werknemer heeft mr. M.C.G. van der Sman, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting, gebruik gemaakt van de gelegenheid om een schriftelijke uiteenzetting te geven over de zaak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2013, waar voor appellante haar controller, [naam controleur], is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwenhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Ook werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Sman.

OVERWEGINGEN

1.1. Werknemer is laatstelijk bij appellante werkzaam geweest als timmerman. Na in 1995 te zijn geopereerd aan een rughernia is werknemer in aangepast werk bij appellante hervat. Op 11 februari 2008 is werknemer voor dit werk uitgevallen met een recidiverende rughernia.

1.2. Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor werknemer met ingang van 22 februari 2010 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Het Uwv heeft werknemer daarbij aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt en een meer dan geringe kans op herstel aanwezig geacht.

1.3. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt omdat zij van mening is dat werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hij derhalve recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Daarbij heeft appellante een brief van werknemer van 30 juni 2010 overgelegd waarin deze heeft verklaard dat er twee behandelingen op de pijnpoli hebben plaats gevonden welke geen enkel resultaat hebben opgeleverd en dat verdere behandeling door de behandelend arts niet nuttig werd geacht. Bij besluit van 10 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat er geen sprake is van

duurzame arbeidsongeschiktheid en heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en deugdelijk en concreet heeft gemotiveerd dat sprake is van een meer dan geringe kans op herstel. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk blijft op welke termijn de (bezwaar)verzekeringsarts verwacht dat er een relevante mate van verbetering van de belastbaarheid van werknemer zal optreden. De door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering is te algemeen en niet toegespitst op de situatie van werknemer. Ook had in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar van de bezwaarverzekeringsarts verwacht mogen worden dat hij informatie had ingewonnen bij de behandelend sector. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op het door haar in beroep ingebrachte rapport van verzekeringsarts H.J.M. Stammers van 14 december 2010.

3.2. Het Uwv heeft in verweer te kennen gegeven geen aanleiding te zien om aan te nemen dat werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het Uwv baseert zich daarvoor op de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Verder wijst het Uwv erop dat de arbo-arts van appellante drie maanden voor de datum in geding eveneens in de komende maanden een verder herstel van de belastbaarheid verwachtte.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen betreft de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer met ingang van 22 februari 2010 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de thans toegekende

WGA-uitkering.

4.2. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.4. De Raad constateert dat de verzekeringsarts in zijn rapportage van 3 februari 2010 heeft aangegeven dat werknemer op 2 maart 2010 zijn eerste afspraak op de pijnpoli heeft en hij ten gevolge van deze behandeling verbetering van de functionele mogelijkheden verwacht. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 7 augustus 2010 geconcludeerd dat de verzekeringsarts wellicht teveel de verwachting op herstel gekoppeld heeft aan de behandeling op de pijnpoli. Deze koppeling acht hij niet sterk omdat deze behandeling het herstel weliswaar kan bevorderen, maar het herstel zelf met name voortkomt uit het in beweging blijven en zoveel mogelijk trainen van de spiergroepen die compensatoir werken op de geledeerde lichaamsfuncties. Hij acht verdergaand herstel in functionele mogelijkheden zeer zeker in de verwachting liggen, al is niet geheel voorspelbaar tot hoever dit herstel zal reiken. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn conclusie gebaseerd op de overweging dat in de literatuur een belastbaarheidsverbetering bij het overgrote deel der patiënten met een postlaminectomie syndroom wordt gerapporteerd, de werknemer adequaat herstelgedrag heeft laten zien en het klinisch beeld een recidive is en bij voorgaande perioden ook herstel optrad.

4.5. Mede bezien in het licht van hetgeen door appellante is gesteld, is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft onderzocht of er op de datum in geding kan worden gesproken van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van werknemer. De enkele mededeling dat bij het overgrote deel der patiënten met een postlaminectomie syndroom een belastbaarheidsverbetering wordt gerapporteerd, is geen toereikende onderbouwing van een meer dan geringe kans op herstel nu dit standpunt niet met concrete gegevens toegesneden op de werknemer is onderbouwd. Ook heeft de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling geen aandacht besteed aan het feit dat sinds het ontstaan van de recidive van de rugklachten van werknemer er, anders dan in 1995, korte tijd na de herniaoperatie in 2008 een heroperatie in 2009 heeft moeten plaatsvinden wegens aanhoudende klachten en de behandelend neurochirurg daarna geen nieuwe operatie meer wilde overwegen wegens het aangetroffen littekenweefsel. Tegen deze achtergrond lag het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts om nadere informatie in te winnen bij de behandelend sector over de herstelkansen van werknemer, mede gezien de op zijn leeftijd opnieuw doorgemaakte recidives, en ook om zich te laten informeren over het verloop en de resultaten van de ingezette behandeling op de pijnpoli. Van een deugdelijke afweging als omschreven in 4.3 kan derhalve niet worden gesproken.

5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 berust het bestreden besluit op onvoldoende onderzoek en een gebrekkige motivering zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het in rechtsoverweging 4.5 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij dient in ieder geval bij de behandelende sector geïnformeerd te worden naar het mogelijk resultaat van een op verbetering van de functionele mogelijkheden gerichte behandeling van werknemer, zulks mede bezien in het licht van de ernst van diens op zijn leeftijd recidiverende rugproblematiek

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH