Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
11-3381 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3381 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2011, 10/5587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[B. te G.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hendriksen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 16 februari 2010 heeft appellant zich gemeld bij het Werkplein Den Haag Centrum (Werkplein) voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft hierbij opgegeven te wonen in de [adres] te ’s-Gravenhage. Omdat er twijfels bestonden over de woon- en leefsituatie van appellant, heeft het Werkplein een onderzoek ingesteld en appellant uitgenodigd voor een gesprek. Appellant is op 11 maart 2010 verschenen op het kantoor van het Werkplein. Aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het opgegeven uitkeringsadres. Vervolgens heeft op 16 maart 2010 nog een gesprek met appellant plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 maart 2010.

1.2. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 29 maart 2010 de aanvraag af te wijzen. Bij besluit van 28 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 29 maart 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag, samengevat, dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding woonde op het opgegeven uitkeringsadres en evenmin duidelijk heeft gemaakt op welk adres hij (wel) zijn hoofdverblijf heeft, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 16 februari 2010 tot en met 29 maart 2010.

4.2. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op grond van de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellant, zoals neergelegd in het rapport van 29 maart 2010, terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.4. Uit het rapport van 29 maart 2010 blijkt dat appellant tijdens het gesprek voorafgaand aan het huisbezoek is gevraagd de inrichting van de kamer, waar hij stelde te slapen, te beschrijven. Tijdens het huisbezoek is vervolgens vastgesteld dat er een bed meer stond dan door appellant genoemd was en dat ook de kleur van het dekbed niet overeen kwam met appellants opgave. Daarnaast lag onder het hoofdkussen van het door appellant als zijn bed aangewezen bed post en nachtkleding die niet van appellant was. De hiervoor door appellant gegeven verklaring, namelijk dat er veel kinderen in huis zijn, is te algemeen van aard en onvoldoende toereikend. Voorts zijn tijdens het huisbezoek slechts een trui en een broek van appellant aangetroffen en geen toiletartikelen van appellant. Ook zijn er, afgezien van enkele recente aan appellant gerichte poststukken, geen andere bezittingen van appellant aangetroffen. De stelling van appellant dat hij niet meer kleding en persoonlijke spullen bezit omdat hij na zijn echtscheiding alles heeft achtergelaten in de voormalige echtelijke woning, overtuigt niet, omdat appellant naar eigen zeggen reeds een jaar op het opgegeven uitkeringsadres woonde. Daarnaast heeft appellant verklaard dat zijn kleding en toiletspullen elders lagen, maar kon appellant desgevraagd ook geen adressen noemen. Ten slotte is vastgesteld dat appellant geen sleutel had van de woning. Appellant heeft ter verklaring hiervoor aangevoerd dat er altijd wel iemand in de woning aanwezig was die de deur kon openen. In het licht van de overige bevindingen van het huisbezoek komt echter aan het feit dat appellant niet over een sleutel beschikte wel degelijk betekenis toe, mede in aanmerking genomen dat appellant naar eigen zeggen al een jaar op dat adres woonde.

4.5. De ongedateerde verklaring van de hoofdbewoner van de woning aan de [adres], die inhoudt dat appellant daar woont, doet aan de bevindingen van het onderzoek, zoals hiervoor weergegeven, niet af. Bovendien biedt de verklaring onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat dit ook het geval zou zijn geweest gedurende de hier te beoordelen periode.

4.6. De stelling van appellant dat hij sinds juni 2011 bijstand ontvangt op het adres [adres] en dat er sinds de onderhavige aanvraag tot juni 2011 niets is veranderd in zijn feitelijke woon- en leefsituatie, leidt niet tot een ander oordeel. Dat appellant kennelijk vanaf juni 2011 naar het oordeel van het college wel voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen, is immers niet relevant voor de beoordeling van het recht op bijstand over de nu voorliggende periode.

4.7. Ten slotte kan niet worden ingezien dat het college appellant met betrekking tot zijn woonsituatie het voordeel van de twijfel had moeten geven wegens diens psychische problemen, de afstand tot de arbeidsmarkt en zijn huisvestingssituatie na zijn echtscheiding.

4.8. Wat in 4.4 tot en met 4.7 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woonadres. Daarmee is hij tekort geschoten in de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand van 16 maart 2010 dan ook terecht afgewezen.

4.9. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en Y.J. Klik en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) B. Rikhof