Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
11-2899 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:1691, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging voorbereidingstraject richting zelfstandigheid. Geen positief advies over de ondernemersideeën van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2899 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011, 10/1901 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[M.] te [R.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Luijendijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 19 maart 2013. Voor appellant is mr. Luijendijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt met zijn echtgenote vanaf 2 januari 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college aan appellant toestemming verleend om zich zes maanden lang voor te bereiden op het zelfstandig ondernemerschap met behoud van bijstand en onder ontheffing van de sollicitatieplicht. Deze periode begon te lopen op 1 januari 2010. Als voorwaarde gold daarbij dat appellant moest meewerken aan begeleiding door Goede Zaken.

1.4. Op 18 januari 2010 heeft het college de Rapportage Oriëntatiefase Heer [M.] (rapportage) van Goede Zaken van 13 januari 2010 ontvangen. Uit deze rapportage blijkt dat Goede Zaken geen positief advies kan geven over de ondernemersideeën van appellant.

1.5. Hierin heeft het college aanleiding gevonden bij besluit van 19 januari 2010 de eerder aan appellant verleende toestemming om zich met behoud van bijstand voor te bereiden op het zelfstandig ondernemerschap per 1 februari 2010 in te trekken.

1.6. Het tegen het besluit van 19 januari 2010 gerichte bezwaar heeft het college bij besluit van 19 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) bepaalt dat bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden kan worden voortgezet.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de op artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 gebaseerde bevoegdheid om toestemming te verlenen de bevoegdheid besloten ligt om die toestemming weer in te trekken.

4.3. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 juli 2011, LJN BR3289) is een bijstandverlenend orgaan gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over vragen betreffende de levensvatbaarheid van startende ondernemingen te baseren op verkregen adviezen van deskundige instanties. Niet in geschil is dat Goede Zaken als een zodanige instantie kan worden aangemerkt. Het is eveneens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld CRvB 5 januari 2010, LJN BK9638, dat een dergelijk advies op zorgvuldige wijze tot stand moet zijn gekomen, geen feitelijke onjuistheden mag bevatten en deugdelijk moet zijn gemotiveerd.

4.4. Anders dan appellant meent, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de rapportage van Goede Zaken van 13 januari 2010 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Dat het rapport in een betrekkelijk korte tijd tot stand is gekomen na slechts, naar appellant stelt, twee gesprekken met hem, is op zich niet voldoende om al op grond daarvan te concluderen dat de rapportage niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De conclusie van het advies is gebaseerd op onder meer een door appellant ingevulde ondernemersscan, gesprekken met appellant, onderzoek van gegevens bij het Hoofd Bedrijfschap Detailhandel en oriëntatie op de lokale markt voor het ondernemersidee. Het eindoordeel is gemotiveerd. Daarbij is vooral van belang geacht dat appellant niet over de juiste ondernemersvaardigheden voor deze gevoelige markt beschikt, waarbij het belangrijk is goed en snel in te kunnen spelen op allerlei trends. Bovendien staat in deze branche de marge zwaar onder druk. Dat eerder in de rapportage ook een aantal sterke ondernemersvaardigheden van appellant is benoemd, maakt niet dat de conclusie dat geen positief advies kan worden afgegeven voor de ondernemersideeën van appellant, geen stand houdt. Voor een zorgvuldig onderzoek is het niet strikt noodzakelijk dat betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld voorafgaand aan het uitbrengen van het advies op de inhoud daarvan te reageren en zijn ondernemersplan zo nodig aan te passen, omdat betrokkene de gelegenheid heeft bij het college in het kader van de heroverweging in bezwaar op het advies te reageren en dan als hij dat wenst een tegenadvies kan indienen. Zodanig tegenadvies dan wel andere objectieve gegevens, die de stelling van appellant dat zijn ondernemersidee wel degelijk perspectief biedt, zouden kunnen ondersteunen, zijn ook in beroep en hoger beroep niet overgelegd. De enkele stelling dat het rapport niet betekent dat een marktkraam in zijn geheel niet winstgevend kan zijn en dat appellant een vriend heeft die met het verkopen van speelgoed op de markt zijn brood verdient, is ontoereikend om de door de rapporteur van Goede Zaken getrokken conclusie terzijde te stellen.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het college het voorbereidingstraject richting zelfstandigheid op goede gronden heeft beëindigd, zodat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) B. Rikhof