Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
12-458 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand ten behoeve van de kosten van rechtshulp. Gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop de kosten zijn opgekomen en dat waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, is de Raad met het college van oordeel dat de redelijke termijn hier is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/458 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 december 2011, 10/8267 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Biemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Voor appellante is verschenen mr. Biemond. Het college heeft zich, daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 5 maart 2010 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor door de Raad voor de rechtsbijstand bij besluiten van 20 november 2009 en 5 januari 2010 vastgestelde eigen bijdragen voor rechtshulp van € 366,-- respectievelijk € 732,--.

1.2. Bij besluit van 28 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2010 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand ten behoeve van de kosten van rechtshulp afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante niet tijdig gebruik heeft gemaakt van een voorliggende voorziening op grond waarvan een beroep op bijstand mogelijk kon worden vermeden of verminderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat het standpunt van het college dat niet tijdig gebruik is gemaakt van een voorliggende voorziening geen stand kan houden. Het college kan volgens de rechtbank wel worden gevolgd in het ter zitting ingenomen standpunt dat sprake is van vóór de aanvraag om bijzondere bijstand opgekomen kosten. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB. Volgens die rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarvan in dit geval niet is gebleken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat de hier aan de orde zijnde kosten zijn opgekomen vóór 5 maart 2010, de datum van de aanvraag om bijzondere bijstand. De kosten waren immers al opgekomen op het moment dat appellante de rechtshulp inriep, waarvoor de Raad voor de rechtsbijstand bij de onder 1.1 genoemde besluiten de eigen bijdrage heeft vastgesteld. Dit betekent dat sprake is van een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht.

4.2. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 mei 2007, LJN BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3. De enkele omstandigheid dat vooraf niet bekend is hoe hoog de kosten van rechtshulp zullen uitvallen, vormt geen beletsel om een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen voordat die kosten worden gemaakt en vormt dus geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. In hetgeen door appellante overigens is aangevoerd ziet de Raad evenmin bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de gevraagde bijzondere bijstand met afwijking van artikel 43, eerste lid, van de WWB wordt verleend.

4.4. Appellante beroept zich er voorts op dat zij de aanvraag om bijzondere bijstand binnen een redelijke termijn na het opkomen van de kosten heeft ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd dat bij de eigen bijdrage voor fysiotherapie aanvragen om bijzondere bijstand nog ingediend kunnen worden tot een jaar nadat deze zijn opgekomen. Deze beroepsgrond treft geen doel. Het college voert ten aanzien van aanvragen om bijzondere bijstand voor andere dan medische kosten geen begunstigend beleid in die zin dat wordt toegestaan deze aanvragen met terugwerkende kracht in te dienen. Het college heeft in dit concrete geval niettemin aansluiting gezocht bij het begunstigend beleid voor aanvragen om algemene bijstand na afwijzende WW-besluiten. Bij dergelijke aanvragen acht het college een termijn van twee weken na het opkomen van de kosten redelijk. Gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop de kosten zijn opgekomen en dat waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, is de Raad met het college van oordeel dat de redelijke termijn hier is overschreden en dat de aanvraag om bijzondere bijstand terecht is afgewezen.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot