Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9170

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
12-1039 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Periode van 9 oktober 2009 tot en met 12 oktober 2009: Weigering om terug te komen van het besluit van 12 oktober 2009. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een reële schuld met een daaraan verbonden concrete aflossingsverplichting. Daarbij is van belang dat appellante geen enkel stuk met betrekking tot haar schulden ter onderbouwing van haar standpunt heeft overgelegd. Voorts heeft appellante bij de op 26 januari 2011 ingediende aanvraag om bijstand op het aanvraagformulier de vraag of zij schulden heeft ontkennend beantwoord. Periode van 13 oktober 2009 tot 31 december 2010: Betrokkene dient aannemelijk te maken dat derden feitelijk in de kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien hij hierin slaagt, de bijstandsverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld. Aan die voorwaarden is niet voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1039 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 februari 2012, 11/3521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driesen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. Driessen zich teruggetrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door G.D. Isselman. Voor appellante trad op als tolk E. Batteloglu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A.J. Lejeune.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft op 11 augustus 2009 een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 12 oktober 2009 afgewezen op de grond dat appellante niet beschikt over een geldige verblijfstitel. Appellante heeft geen rechtsmiddel tegen dit besluit aangewend.

1.2. Op 31 december 2010 heeft de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND) aan appellante een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, met ingang van 9 oktober 2009, geldig tot 9 oktober 2010, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur tot 9 oktober 2011. Op 26 januari 2011 heeft appellante wederom een aanvraag om bijstand ingediend met terugwerkende kracht tot 9 oktober 2009.

1.3. Bij besluit van 21 juni 2011 heeft het college appellante bijstand toegekend met ingang van 31 december 2010. Bij dat besluit is de aanvraag om bijstand over de periode van 9 oktober 2010 tot 31 december 2010 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 14 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit 21 juni 2011 ongegrond verklaard voor wat betreft de ingangsdatum van de bijstandsverlening. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat appellante in de periode van 9 oktober 2010 tot 31 december 2010 niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de vraag of het college terecht heeft geweigerd aan appellante, naar aanleiding van de op 26 januari 2011 ingediende aanvraag, bijstand te verlenen over de periode van 9 oktober 2009 tot 31 december 2010.

4.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010, LJN BM0861, dient bij de beantwoording van deze vraag een onderscheid te worden gemaakt in een tweetal periodes.

4.3. De eerste periode heeft betrekking op de beoordeelde periode in het kader van de op 11 augustus 2009 ingediende aanvraag. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bij een afwijzing van een aanvraag om bijstand strekt zich uit tot de periode vanaf de aanvraagdatum tot en met de datum waarop de aanvraag is afgewezen. Aangezien appellante bijstand heeft aangevraagd met ingang van 9 oktober 2009 betekent dit dat met het rechtens onaantastbare besluit van 12 oktober 2009 het recht op bijstand van appellante over de periode van 9 oktober 2009 tot en met 12 oktober 2009 is beoordeeld. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de aanvrager om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen.

4.4. De tweede periode betreft de periode van 13 oktober 2009 tot 31 december 2010. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Nu die periode ligt vóór de datum van melding/aanvraag op 26 januari 2011, wordt volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

De periode van 9 oktober 2009 tot en met 12 oktober 2009

4.5. De beschikking van de IND van 31 december 2010 is aan te merken als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.6. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 2 september 2004, LJN AR1873, en 16 april 2002, LJN AE3716, is het college bij gebleken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden slechts dan gehouden om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand, indien en voor zover de aanvrager aannemelijk maakt dat destijds niet is voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ8120 is de Raad van oordeel dat ook hier het complementaire karakter van de WWB meebrengt dat betrokkene dan aannemelijk dient te maken dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien hij hierin slaagt, de bijstandsverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld.

4.7. Niet wordt betwist dat appellante ten tijde hier van belang bij haar zus inwoonde en dat zij daar kost en inwoning ontving. Desondanks heeft appellante aangevoerd dat niet was voorzien in haar noodzakelijke bestaanskosten gelet op de schulden die zij heeft gemaakt bij haar zus en vrienden.

4.8. Appellante is er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een reële schuld met een daaraan verbonden concrete aflossingsverplichting. Daarbij is van belang dat appellante geen enkel stuk met betrekking tot haar schulden ter onderbouwing van haar

standpunt heeft overgelegd. Voorts heeft appellante bij de op 26 januari 2011 ingediende aanvraag om bijstand op het aanvraagformulier de vraag of zij schulden heeft ontkennend beantwoord.

4.9. Het overwogene in 4.5 tot en met 4.8 leidt tot de conclusie dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren om terug te komen van het besluit van 12 oktober 2009.

De periode van 13 oktober 2009 tot 31 december 2010

4.10. Met betrekking tot deze periode dient de vraag te worden beantwoord of appellante bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die het college ertoe had moeten brengen bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Van zodanige bijzondere omstandigheden kan sprake zijn indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend en hij aannemelijk maakt dat hij over de periode vanaf de ingangsdatum van de verblijfsvergunning tot aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden niet in de noodzakelijke bestaanskosten heeft voorzien. Zoals ook in 4.6 is overwogen brengt het complementaire karakter van de WWB mee dat betrokkene dan aannemelijk dient te maken dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien hij hierin slaagt, de bijstandsverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld.

4.11. Gelet op 4.8 is er niet aan de in 4.10 genoemde voorwaarde voldaan. Het college heeft aan appelante over de in de hier te beoordelen periode dan ook terecht geen bijstand verleend.

4.12. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens